Volharden in weer en wind

Thé Lau is de grote held van liefhebbers van Nederlandstalige rock. Zijn thema's zijn liefde, verlangen en dood. ,,Wat je zingt moet authentiek zijn, geen imitatie.''

Naast de deur van zijn woonkamer op de eerste verdieping in het Amsterdamse Westerpark staan de gitaren van muzikant Thé Lau (Bergen, 1952) klaar. De ramen bieden uitzicht op de haven. Aan een knaapje, vastgehaakt in een doorgeslagen glas-in-loodraampje, hangt zijn kostuum, gehuld in een hoes van Emporio Armani. Thé Lau gaat op tournee. Het programma heet De God van Nederland en brengt hem naar de uithoeken van Nederland, van Oldenzaal tot Stadskanaal, Helmond tot Purmerend, Den Briel en Dinxperlo. En diep in Nederlandstalig België.

De Gaviolizaal heet het onderkomen in Helmond, genoemd naar de uitvinder van het orgelboek. In Stadskanaal speelt hij in Theater Geert Teis, een centrum voor culturele activiteiten dat stamt uit de jaren zeventig. Er kunnen vele honderden mensen in de zaal. Die avond in februari zijn er te weinig. Helmond daarentegen is uitverkocht; Gouda en Purmerend ook.

Thé Lau begeleidt zichzelf op een akoestische Martin-gitaar en een elektrische Fender Telecaster. Het kostuum, `jouw jurk' zoals tourmanager Martin Lürsen het noemt, is gestreken. Een zwarte broek met wijde pijpen en een zwart jasje met wit afgeboorde kraag. Thé Lau en tourmanager Lürsen, die jarenlang de optredens van de Dolly Dots behartigde, vertrekken in de middag. Stadskanaal en Helmond liggen ver. Ook voor het optreden in Purmerend neemt Thé Lau zijn tijd. Hij wil vroeg aankomen in de plaatsen waar hij moet zingen.

We rijden in een gehuurde, zilverkleurige Ford Mondeo naar Purmerend, kort daarop is hij te gast in Stadskanaal en de volgende avond, een vrijdag, Helmond en zaterdagavond Gouda. Thé Lau rookt onophoudelijk bij het open raam. Zijn stembanden zijn rauw geworden en gerijpt door sigarettenrook, wijn en whisky. Lau heeft een onvervreemdbaar geluid. Een low voice, zoals hij het zelf noemt, ergens tussen Tom Waits en Joe Cocker in. Het heeft iets nachtelijks, in elk geval een stem die opklinkt uit de late uren. Net als zijn teksten, zoals: ,,Ik heb vannacht gedronken en gezien/ hoe geen vrouw ooit krijgt wat ze verdient...'' Het lied heet Blauw en is een grote hit van Lau's eigen band The Scene, door hem opgericht in 1979 en inmiddels uiteengevallen.

Hij zegt: ,,Jarenlang ploeterden we in de kleine circuits, in feesttenten op weilanden waar iedereen altijd dronken is en waar je liters bier over je heen krijgt. We reden in een huurbusje van Diks of Ouke Baas. Met Blauw kwam de doorbraak. Dat is zo ongeveer het tweede Vlaamse volkslied geworden. De uitnodigingen stroomden binnen en volgens mijn vrouw liep ik een jaar naast mijn schoenen. Opeens waren we rijk en beroemd, zoals iedereen in de popmuziek dat wil. We hoefden ons geen zorgen meer te maken, eerder moesten we overleggen welke invitaties we afsloegen. We schaften een limousine aan. Dat hoort bij het spel, met zulk succes kun je niet met een armoedig huurbusje aankomen.''

Mooie meisjes

Thé Lau is geboren in het kunstenaarsdorp Bergen in Noord-Holland. Zijn moeder Anne Bogtman en haar zuster waren, naar de zoon zegt, `de twee mooiste meisjes van het dorp'. Ze is nog ten huwelijk gevraagd door dichter Adriaan Roland Holst. Lau's grootvader was de kunstschilder Thé Lau. Onderweg in de auto en later in etablissementen als 't Hoedje van de Koningin te Purmerend of café De Penning, Helmond, en restaurant Hoekema in Stadskanaal vertelt Lau: ,,Ik heb mijn grootvader ternauwernood gekend. Op middelbare leeftijd is hij katholiek geworden en verhuisd van Noord-Holland naar Maastricht. Toen ik eens een overzichtstententoonstelling van zijn schilderijen zag, was ik geschokt. Ik was getuige van iemands onvermogen om te kiezen. Er hingen brave stillevens, heftige Duitse doeken, expressionistische werken. Misschien ben ik daarom zo trouw gebleven aan mijn eigen stijl. Eigenlijk wil ik de twee disciplines die ik volledig beheers toch combineren: muziek en dichtkunst.

,,Zoals veel Nederlandse zangers ben ik in het Engels begonnen. Ik meende dat het zo hoorde. Ik ontdekte muziek in de auto van mijn broer Koen, als jongetje van elf, dus in 1963. Op de radio klonk She loves you van The Beatles. Het overspoelde me. Dat wilde ik ook. Ik kocht een gitaar en gitaarboeken, speelde de muziek na. Ik ben autodidact. Daardoor ontstaan er weleens fouten, zoals majeur tegen mineur in spelen. Dat gebeurt trouwens gemakkelijk, want uit de jazz kennen we de blue note die daar precies tussenin zweeft. Ik ben jaloers op muzikanten van het conservatorium, maar zij verzekeren mij juist dat ik met mijn onbevangenheid in het voordeel ben. Mijn gebrekkige kennis wreekt zich wel wanneer ik bijvoorbeeld moet optreden met het Metropole Orkest. Mijn grote kracht ligt in het massief spelen is, solide en met contour. Veel gitaristen zijn vingervlug en razendsnel, maar zij pingelen eroverheen. Ze hebben geen ritmische reikwijdte.

,,Hoe verschillend de mensen op straat in dorpen en steden ook zijn'', zegt Lau, ,,mijn publiek is telkens hetzelfde. Het zijn toehoorders tussen de dertig en zeventig jaar, geïnteresseerd in muziek en literatuur. Aandachtig publiek. Heel anders dan bij The Scene. Daar kon ik soms gerust front brain spelen, met mijn kop er niet bij. In de theaterzaal gaat dat niet, dan val je meteen door de mand.

,,De breuk met The Scene, of eigenlijk liever mijn afscheid van de groep en het ontbinden ervan, voelt als een wezenlijk gemis. Maar het ging niet goed. Op een gegeven moment waren er om de haverklap mutaties. Ik moest telkens audities uitschrijven om nieuwe muzikanten op te sporen. De saamhorigheid was weg en ik was ontevreden als anderen mijn liedjes zongen. Te lauw. Ik kwam erachter dat ik ondanks mijn weinig virtuoze stemgeluid precies kan uitdrukken wat ik wil.''

Een van Lau's teksten heeft als refrein: `Rauw, hees, teder, zing ik het lied/ rauw, hees, teder, anders kan ik niet'. Het zijn woorden die mooi aansluiten bij zowel zijn wijze van zingen als bij zijn overtuiging dat het Nederlands een uitermate geschikte taal is om in te zingen. ,,Met het Engels ben ik snel opgehouden'', erkent hij. ,,Dat was niet echt, dat was iets halfs en dat wil ik niet. Een woord als `rigoureus' heb ik tot melodie gemaakt voor een lied. Dat werkt goed.'' Zonder overgang, met vingers die op de tafelrand het ritme roffelen, zingt hij in Beatrix' Hoedje: `Het is alsof je zegt, doe iets, nu, hier voor mij/ en doe het rigoureus en onverwacht/ rigoureus en ondoordacht/ rigoureus maar altijd uit het hart'.''

Katoenvelden

Halfslachtigheid is een houding die Lau vervloekt: ,,Miles Davis heeft eens gezegd dat geen blanke de blues kan spelen, want een blanke kent de hel van de katoenvelden niet. Ik houd ook niet van popzangers die met klassieke orkesten gaan samenwerken. Het Concertgebouworkest laat je geen jazz spelen, dat swingt niet, daarmee is alles gezegd. Blanke musici leggen veel te veel chroom op hun blues. Het is te glad, te volmaakt, en dan tast je je rock `n' roll credibility aan. In de Nederlandstalige rock heb ik mijn vaste spoor gevonden. Wel ben ik me ervan bewust dat ik als blanke niet al te makkelijk mijn inspiratie mag zoeken bij de zwarte voorgangers. Wat je zingt moet authentiek zijn, geen imitatie. Je moet volharden in weer en wind. Mijn helden zijn Cuby and The Blizzards en Golden Earring. Ik ben beïnvloed door De Dijk en ook door het minimalisme van David Bowie, zoals hij dat uitdrukt op het album Station to Station. Ik ben niet handig met akkoorden, maar binnen een dragende grondtoon kan ik veel. Ik wil niet te veel keuze hebben, dat is verkeerd. In mijn middelbareschooltijd zag ik in een club in Zaandam eens de Britse zanger David Garrick. Hij had maar één hitje, Dear Mrs. Applebee. Het vrouwelijke deel van het publiek begon te gillen en te krijsen, ik wist niet dat zoiets bestond. Toen formeerde ik een eigen bandje dat The Barbecue Selection of Collection heette. Met The Scene begonnen we heel naïef. Muziek maken, dat was het enige.''

Thé Lau wilde niet in zijn geboorteplaats Bergen blijven wonen. Dertig jaar geleden kwam hij in Amsterdam. Hij zegt: ,,Bergen is in verval, de kunst stelt niets meer voor en alles draait om geld. De Bergenaren zijn ervan overtuigd dat hun dorp ergens in de ruimte zweeft tussen Amsterdam en New York.''

Thé Lau was in zijn jeugd tenniskampioen van Bergen. Zijn moeder was de eerste tennislerares van het land, zijn vader beheerde de banen. De kantine daar heet nog altijd 't Thé-huis. Lau zegt: ,,Daarna kwamen er dingen in mijn leven die niets met tennis te maken hebben. Meisjes, roken, muziek. Ik was een romantische jongen die Slauerhoff en Achterberg las. Ik wilde een meisje eens op het kerkhof zoenen. Maar ze wilde niet. Met geen stok was ze het kerkhof op te krijgen.''

Liefde, verlangen en ook de dood zijn nog altijd zijn thema's. De muziek is uitgangspunt van zijn songs. Hij speelt urenlang akkoorden, neemt die op en luistert er keer op keer naar. Dan begint hij hier en daar woorden te plaatsen, totdat er een tekst ontstaat. Een indrukwekkend lied is Onder aan de dijk, geschreven naar aanleiding van de cafébrand in Volendam: `Voor de zon die op het water speelt/ voor het water dat de zon bespeelt// Ik voel de warmte van je blik/ in ons kleine koninkrijk/ onder aan de dijk.'.

,,Ik ben melancholiek, maar toen was ik vooral gedeprimeerd'', vertelt hij. ,,Ik had de videobeelden gezien van jonge mensen die verbrand waren of voor altijd verminkt. Ik was in Volendam uitgenodigd. Terugrijdend over de IJsselmeerdijk bedacht ik een lied van rouw en verdriet.''

We naderen Purmerend, Helmond – of is het toch Stadskanaal? ,,Dit is het `kanalenweekeinde''', zegt Thé Lau. ,,Dwars door Helmond loopt een liniaalrecht kanaal en de naam Stadskanaal zegt het al. Dat reizen maakt de bestemmingen ook abstract. Het is zoals met veel popartiesten: vliegtuig, theater, hotel. Ik moet oppassen voor blunders. Eindhoven en Enschede haal ik altijd door elkaar, zelfs als ik me voorneem om vooral in Enschede niet te zeggen `Dag Eindhoven' doe ik het juist.''

Martin Lürsen parkeert naast het theater. Pianist Jan-Peter Bast uit Castricum is al aanwezig. De tourmanager zegt: ,,Ik beschouw deze jongens als mijn tweede familie en dus is de zaal mijn tweede thuis. Ik zie het zo: op het podium zet ik ons eigen huiskamertje neer en 's avonds breken we het weer af.''

Lürsen was ook betrokken bij The Scene. Daar deed hij veel meer dan chaufferen, opbouwen, afbreken. Zijn taak bestond er vooral uit om de bandleden psychologisch in evenwicht te houden.

Hij gaat niet mee uit eten. Van een kist heeft hij een soort picknickmand gemaakt met magnetron, borden, bestek. Hij bereidt zijn eigen kant-en-klaarmaaltijd in de kleedkamer.

Barjuffrouw

Zoals gebruikelijk gaat Thé Lau de stad in. Hij wil de sfeer proeven, de taal horen waarin de mensen praten. Hij kan verrassend goed dialecten nadoen; het Twents, Brabants, het Haags. Café De Penning blijkt te dateren uit zijn geboortejaar. De barjuffrouw vertelt dat het café na het carnaval verbouwd gaat worden. Eerst carnaval, dan kan iedereen zijn gang gaan. In pizzeria Sicilia bestelt Lau de Quattro Stagioni. Om half acht is de soundcheck. Pianist Bast en Lau testen, met de geluidsjongen die Arnout heet, de akoestiek in de Helmondse Gaviolizaal. De voormalige brandweerkazerne doet overdag dienst als draaiorgelmuseum. Tegen de zij- en achterwanden staan pronkjuwelen van oude straatorgels, in een vitrine liggen de orgelboeken. Het publiek komt binnen. Een mengeling van uiteenlopende leeftijden. De rookmachine op de achtergrond hult het podium in een theatrale sfeer. De akoestische gitaar staat klaar in de standaard, een glas rode wijn op een barkruk. Thé Lau komt spelend op. De akkoorden zijn zoals hij wil: dragend, stuwend, dwingend. Hij zingt nummers als Open, Het huis waar liefde woont, Onder aan de dijk, De haven, Rigoureus en het titellied De God van Nederland. De zaal is stil, het applaus enthousiast. Sommigen wiegen met hun hoofd heen en weer, want het is in de fluwelen fauteuils moeilijk stilzitten bij rock & roll. Na afloop komen de toegiften, de kroonluchters boven het publiek blijven branden. ,,Dank jullie wel, Helmond'', zegt Lau. Helaas breekt het publiek de boel niet af. Anders hadden ze een tweede toegift gekregen, Lau's eigen favoriete nummer Blauw.

Op de terugweg bespreken Martin Lürsen en Lau het optreden. Hier en daar ging een akkoord verkeerd, raakte Lau even de tekst kwijt. Zo gaat het altijd, na elk optreden waar ook. ,,Een theatertournee langs de kleine zalen'', zegt Thé Lau, ,,stelt de eis van intimiteit. Voor aanvang voel ik me altijd gespannen, soms zelfs miserabel. Eenmaal op het podium is dat voorbij. Ik ben weleens bang geweest. In Parijs brak bij U2 brak er ruzie uit tussen toeschouwers en een groepje ultrarechtse jongeren. Bono stapte naar voren en zei: `Nobody gets hurt at a U2 concert.' Het was meteen stil. Ik ken een zangeres die niet meer durft op te treden. Ik zei tegen haar, en dat vond ik wel een goeie vondst: `Het publiek is als een kat en als jij als muis opkomt, dan kun je je indenken wat er gebeurt. Kom op zijn minst op als reuzenmuis, maar liever nog als kat.' Niets neemt het publiek je zo kwalijk als onzekerheid.''

Vertrokken om één uur 's middags is Thé Lau 's nachts om twee uur terug in Amsterdam. Morgen komt Lürsen hem opnieuw ophalen. Dan gaat de rock & roll-missie naar theater De Reggehof in het Twentse Goor. Ik vraag Lau of veel van zijn nummers 's nachts ontstaan, want zijn leven lijkt zich voornamelijk in het late duister af te spelen, ondanks vrouw en twee kinderen. ,,Dat is een te romantische gedachte'', antwoordt hij. ,,Van wat je met een fles wijn opschrijft, is de volgende dag niets over. Aan de bar van de discotheek maak je ook geen roman. Ik schrijf 's morgens of 's middags, nadat ik uitgebreid heb gedoucht en koffie gedronken. Ik kan aan het werk met wat er dan nog aan muzikale of literaire invallen in mijn herinnering is achtergebleven.''

Thé Lau: De God van Nederland. Tournee t/m juni. cd: Sony Music. Bij Uitg. Vassallucci: `Thé Lau: De teksten' en de bundel `De sterren van de hemel'; website: www.thelau.nl.

    • Kester Freriks