Top of flop bij Motown

Het succes van de Amerikaanse platenmaatschappij Motown blijft ongeëvenaard. In de jaren zestig lukte het dit platenlabel om driekwart van de uitgebrachte singles een hit te laten worden. De sleutel tot het succes was de wekelijkse vrijdagvergadering, zo blijkt uit Motown. Money, Power, Sex and Music van de onderzoeksjournalist Gerald Posner. Elke vrijdag kwamen, onder leiding van Motown-oprichter Berry Gordy, de topmensen samen om de nieuwe producties te beluisteren. Elke discussie werd afgesloten met de vraag: `How many think it's a hit?' Top of flop, dat was het enige dat telde bij Motown.

Gordy en zijn medewerkers, onder wie veel familieleden, hadden jarenlang een feilloos hitgevoel. Bovendien had Gordy de gave om talent uit de zwarte getto's van Detroit bijeen te brengen in het huis aan West Grand Avenue dat diende als studio en kantoor. Gordy maakte sterren van Detroit-bewoners als Diana Ross, Martha Reeves, Smokey Robinson, de Temptations en Stevie Wonder. Maar hoe beroemd ze ook waren, de eerste tien jaar van het bestaan van het label moesten alle artiesten zich onderwerpen aan het eigen Motown-geluid. Posner laat zien dat dat beroemde heldere, klaterende geluid gedeeltelijk toevallig ontstond. Gordy moest improviseren omdat hij werkte met oude spullen in een gewoon huis: zo werd de wc de plek waar de zangstemmen werden opgenomen en diende de zolder als echokamer.

Na zijn eerste successen maakte Gordy van Motown een ware muziekfabriek. Hij paste een strikte arbeidsdeling toe en vertrouwde elk onderdeel van een nummer – compositie, productie, zang, begeleiding – aan afzonderlijke specialisten toe. Zo produceerde Motown letterlijk hits aan de lopende band. Posner gaat ook uitgebreid in op de wurgcontracten die Motown sloot met zijn artiesten en laat zien hoe Motown sjoemelde met de verkoopcijfers om zijn sterren zo weinig mogelijk te hoeven betalen.

Een andere pijler van Posners boek zijn de persoonlijke beslommeringen van Gordy en de Motown-sterren. Overspel, bedrog, rechtszaken, vechtpartijen, woede-uitbarstingen, zelfmoorden, moorden, vreemde huwelijkspraktijken – geen detail gaat Posner uit de weg. Daarbij maakt hij overvloedig gebruik van dialogen, alsof hij overal zelf bij was. Zo lijkt het alsof hij in de kast zat van de hotelkamer waar Gordy zijn eerste nacht doorbracht met Motown-zangeres Diana Ross en plotseling werd getroffen door tijdelijke impotentie.

Motown is zo een heerlijke aaneenschakeling geworden van sappige en spannende verhalen. Posner eindigt met de winst die Motown in 2001 weer maakte, voor het eerst in tien jaar. Motown, nu onderdeel van het bedrijf Seagram, is dan ook al lang niet meer bijzonder.In het midden van de jaren zeventig verloor het zijn feilloze hitgevoel en eigen geluid. Gordy richtte zich toen meer op films en liet de muziek over aan gewone, duurbetaalde platenbonzen. Over de muziek van Motown heeft Posner overigens weinig te zeggen. Maar daar is al zoveel over geschreven, dat dit nauwelijks als gebrek kan gelden.

Gerald L. Posner: Motown. Money, Power, Sex, and Music. Random House, 347 blz. €35,65