Moeder os en vader ezel

De schrijver die met opzet neerhurkt om de kleintjes te bevallen, zal zijn artisticiteit geweld aandoen, vreest Charlotte Mutsaers: ,,Ik moet er niet aan denken.''

Een adelaarsjong is niet hetzelfde als een adelaar. Laten we uitscheiden met opblazen en oppompen. Laten we de dingen bij de naam noemen en niet groter voorstellen dan ze zijn.

Een kind heeft alles in het klein: klein hoofd, kleine hersens, kleine ogen, kleine oren, kleine wenkbrauwen, kleine mond, kleine darmen, kleine longen, kleine armen, kleine handen, kleine benen, kleine vingers, kleine voeten, kleine tenen, kleine nagels, kleine maag, kleine buik, kleine navel, kleine plasjes, kleine drollen, kleine tranen en een klein geslacht. Daarom zetten wij een kind normaalgezien geen grotemensenporties voor. Dat vloekt. Daarom stoppen we het ook in een klein bedje en in een klein badje, zetten we het op een klein fietsje en trekken we het geen schuiten van schoenen aan. Is het dan niet ongerijmd dat een boek speciaal bestemd voor kinderen ineens heel groot zou moeten zijn: Literatuur?

Om die reden lijkt me het woord kinderliteratuur dan ook een regelrechte contradictio in terminis. Om een andere reden is het dat trouwens ook. Literatuur is kunst, en kunst en doelgroep gaan nu eenmaal niet samen, vloeken óók. Anders gezegd: wie expres neerhurkt om de kleintjes te bevallen, zal zijn artisticiteit geweld aandoen (indien aanwezig). Kunst kan daar nooit het stralende resultaat van zijn. En wat dan nog. Het hoeft toch ook niet altijd haute cuisine te zijn? Boerenkool met worst smaakt toch ook erg lekker?

Meer dan eens is mij gevraagd: `Hé, waarom schrijf jíj nou niet eens een kinderboek?', en meer dan eens heeft die vraag me geïrriteerd. Geen wonder, het wordt min of meer gebracht als compliment maar ondertussen. De achterliggende bedoeling is Kaltstellung. Zo van: `Jij met je frisse blik, je malle grappigheid en je springerige natuur staat goddank nog in de kinderschoenen. Dan hoeven wij lekker niks te vrezen.' Terwijl ik nota bene schoenmaat 40 heb!

Houd ik dan niet van kinderboeken? Juist wel! Zonder dat ik kroost heb, koop ik er minstens vijf per jaar en vaak vind ik ze grandioos (grandiozer dan de meeste romans). Een paradox, of hoe zit dat? Dat ga ik nu uitzoeken. En allicht begin ik met een kind dat mij van meet af aan heeft aangesproken: het kerstkind.

Vorig jaar heb ik met mijn zusje het ouderlijk huis leeggeruimd. In een slaapkamerkast heb ik toen een stapel oude kersttijdschriften van mijn vader aangetroffen. Mijn vader was kunsthistoricus. Wat hij aan de universiteit in het groot deed, deed hij thuis in het klein: het aanleggen van een kunstdocumentatie. Met andere woorden: hij verzamelde plaatjes. Daartoe kocht hij 's winters alle kunstkalenders en de kerstnummers van glossy tijdschriften als Du, l'Oeil of Plaisir de France. Hij knipte daar dan alle reproducties uit en plakte die, voorzien van de belangrijkste gegevens, op ivoorkarton. Erg sfeervol zo'n knippende en plakkende vader, van de weeromstuit knipte en plakte ik zelf ook. Bovendien heb ik aan zijn verzameling mijn kennis van de Europese schilderkunst te danken.

Aan deze stapel nu was hij kennelijk niet toegekomen en ten slotte moet hij hem glad vergeten zijn. Alle nummers waren nog puntgaaf alsof ze zojuist uit de winkel kwamen. Zelf was ik ze om de dooie dood niet vergeten. Een der afbeeldingen herinnerde ik me direct. Opnieuw de rillingen van verbijstering en jaloezie.

Aardnoten

Het betrof de kerstcover van Plaisir de France uit 1959. Hierop stond een detail afgebeeld van een Italiaans schilderij uit de vijftiende eeuw. Voor mij bevestigde het een idee dat toen al in mij sluimerde, namelijk dat een detail vaak de hoofdzaak in zich draagt. Want wat zag je? De heilige drieëenheid van os, ezel en Kind. Daarbij vergeleken waren Jozef, Maria, de herders en de Drie Koningen niet meer dan een paar aardnoten. Hoe terecht dat die waren weggelaten. Voor mij was dit een oertafereel van de eerste orde. Was ik zelf niet jaloers op Romulus en Remus geweest? Ja, het liefst was ik toch als kind van twee forse dieren geboren. De os was de moeder en de ezel de vader, dat zag je zo. En Jezus mocht dan wel van top tot teen zijn ingebakerd, als je ouders constant warme lucht aanblazen geeft dat niet. Dit soort gevangenis, ik teken ervoor. O, hemelse gelukzaligheid!

Het neemt niet weg dat mij honderden van dergelijke triootjes onder ogen zijn gekomen die me helemaal niet van mijn stuk hebben gebracht. Dan ga je je dus afvragen: waarom nu juist dit ene? Omdat het op een hoger plan staat, denk ik. En waarom staat het op een hoger plan? Omdat hier iets unieks wordt geopenbaard. Omdat de maker er al zijn talent tegenaan heeft gegooid, er zijn hele ziel in heeft gelegd om ons daarvan te overtuigen. Ach, het is domweg deksels goed geschilderd, meer niet. Maar dat is toevallig wel alles. Reden om het nog eens extra te bekijken.

Eerst de ogen. Wat een ogen! Dan de neusgaten. Wat een neusgaten! De pasgeborene ligt dromerig te staren, compleet wezenloos. De wezenloze staat is super. Je moet je die alleen wel kunnen permitteren. Dit kind kan dat. Het voelt zich zichtbaar geborgen. Niet vanwege zijn afstamming van een onbestaande God maar doordat het behoed wordt door twee warmbloedige dieren. Die zijn dan ook verre van wezenloos. Ook liggen ze niet plat van aanbidding zoals de doorsnee herdertjes en Drie Koningen. Ze zijn aandachtig, waakzaam en lief. De moederblik van de os zou ik zelfs willen bestempelen als goedertieren. Als mijn moeder ook maar een seconde zó naar me had gekeken, zou ik gesmolten zijn. Wie nooit begrepen heeft waarom Homerus koe-ogig als epitheton ornans zag, snapt het nu vast en zeker wel. Ondertussen geef ik dadelijk toe dat deze dierenogen nogal op mensenogen lijken met aangeplakte wimpers. En tóch geloofwaardig! Kunst.

Puur geschilderde liefde dit schilderij, dierlijke ouderliefde. Dat noem ík nu venerabel. Hulde voor de kunstenaar die dit ondanks de onwaarschijnlijkheid van een en ander voor elkaar heeft gekregen.

Maar stel nu eens dat de kunstenaar bij zichzelf had gezegd: `Ik weet gerust wel dat een os geen koe is en dat een koe geen horizontale ogen met kunstwimpers in haar kop draagt. Ik weet ook best dat een ingebakerde baby niet zo plat is als een dubbeltje. Dat een aureool niet hetzelfde is als een hoofdkussen. Dat het niet de bedoeling is dat de kleine Jezus uit zijn kribbetje lazert, en noem maar op. Maar dat kan me geen biet schelen. Ik wil domweg een publiek behagen dat tuk is op primitief en straks staat te jubelen: `Hoe touchant!' Dus lap ik alle kennis die ik heb aan mijn laars en doe ik het bewust eens helemaal anders.'

Zou ons hart dan nóg overslaan? Uitgesloten. Dan hadden we een ander schilderij gehad.

Afkeer

Een bedachte drive, om ook maar eens een Engels woord te gebruiken, draait noodzakelijk uit op een andere vorm. En een andere vorm komt – moet het nog gezegd worden – steevast op een andere inhoud neer. Zo simpel ligt dat. Het verklaart misschien mijn redelijk grote afkeer van de Cobra-groep (van elke kunstgroep trouwens) maar dat is een ander verhaal.

Ziezo, dit was een dijk van een metafoor, en als hij zo lek mocht zijn als een mandje dan heb ik geen behoefte aan een Hans Brinker die er zijn kleine vingertje in komt steken.

Behalve telefoonboeken, leerboeken, muziekboeken, plaatjesboeken en spoorboekjes (die het om de een of andere reden altijd met het verkleinwoord moeten doen) zijn er leesboeken. Je hebt mooie leesboeken, lelijke leesboeken en boeken daartussen in.

Mooi = vanuit een brandende aandrift door een groot talent geschreven.

Lelijk = vanuit een bedachte aandrift door een klein talent geschreven.

Mooie leesboeken noemen wij literatuur en literatuur rekenen wij tot de kunst. Daarbij maakt het weinig uit of we nu met verhalen, gedichten, romans, essays of een onbenoembaar genre hebben te doen. Het maakt ook niet uit of het betreffende boek wordt toegejuicht door volwassenen, door kinderen of door allebei (denk bijvoorbeeld aan De Sneeuwkoningin van Andersen). Weliswaar is een volwassene meestal groot en een kind meestal klein, maar het toestromend publiek is vrij, even vrij als de kunstenaar. Dan zijn klein en groot niet in het geding. Dat geldt ook voor hoog en laag trouwens waarmee dit begrippenpaar zo makkelijk wordt verbonden. Iets anders wordt het als er willens en wetens naar klein of groot, hoog of laag werd toegeschreven. Iemand die met hart en ziel de liefde wil bedrijven gaat zich toch ook niet afvragen of hij zich omhoog zal neuken of omlaag. Dan blijft er van die liefde toch niks over?

Wat ik me al heel vaak heb afgevraagd: hoe gaat de bewuste kinderboekenschrijver eigenlijk te werk zodra hij zich aan zijn tafel zet? Vermijdt hij bepaalde woorden, kiest hij een olijke stijl, wordt hij wat losser van toon, omzeilt hij lastige problematiek, kiest hij graag kinderen als hoofdpersoon, let hij op vormende waarden, houdt hij rekening met de mode? En hoe kan hij dit alles in ernst overwegen zonder het gevoel te hebben dat hij zichzelf en zijn werk gigantisch kleineert?

Ik moet er niet aan denken.

Maar ik denk er toch aan. Logisch, want ik heb nog steeds de paradox niet opgelost waarom ik geïrriteerd raak als me wordt gevraagd iets voor kinderen te schrijven, terwijl ik zo verzot ben op menig kinderboek.

Misschien zou ik eens een lijstje moeten opstellen van kinderboeken die mij hebben geraakt. Wie weet of daar dan niet een soort gemeenschappelijke noemer uit naar voren springt die alles verklaart.

Daar gaat-ie dan. Ik doe geen nazoekingen en breng geen verbeteringen aan. Ik schrijf het direct neer, uit de losse pols.

– Piet de Smeerpoets

– Prikkebeen

– De kleine Ollie en zijn ekster

– De zandmannetjes

– Hansje in bessenland

– Mapje en Papje in het hazenbos

– Babar (de hele serie)

– Bolke de beer

– De sterrenkindertjes

– Kuifje (de hele serie)

– Tom Poes (de hele serie)

– Pinokkio

– Levend speelgoed

– Dubbele Lotje

– De kleine prins

– De fabels van La Fontaine

– alle sprookjes van Andersen, Grimm, Perrault en Wilhelm Hauff

Het eerste wat me aan deze boeken opvalt is dat ze stuk voor stuk fraai zijn geïllustreerd. Bolke de beer zelfs met foto's, wat het in mijn ogen altijd een hoog echtheidsgehalte heeft gegeven. Ha, daar heb ik iets beet: het echtheidsgehalte. Al deze boeken vind ik nog steeds erg echt en waar. Vooral voor boeken waar veel ongerijmds in voorkomt vormt dat een groot pluspunt. Wat me ook deugd doet is de frequente recht-door-zee-moraal, die niet louter ontleend wordt aan de voorspelbare, en dus literair gezien saaie, christelijk-humanistische traditie. En zo hoort het ook: in een mooi boek moeten andere waarden en normen om de hoek kijken. Van kinderen bijvoorbeeld of van dieren, waarbij opvalt dat die niet onder maar naast de mensen staan. Bijgevolg staat de mens ook niet vanzelf boven het dier. In boeken voor volwassenen kom je dat hoogst zelden tegen. Neem de importante aanwezigheid van Kuifjes hond Bobby. Neem de hazenmoeder uit Mapje en Papje, die zich meer over twee mensenkinderen ontfermt dan hun eigen moeder. Neem de vos met de dikke staart uit De kleine prins, de snuggere dieren uit Pinokkio, het genie van de gelaarsde kat. En niet te vergeten de heks uit Hans en Grietje die twee kinderen vetmest in een hok als waren het twee varkens, wat me nog vandaag de sensatie geeft van net goed!-plezier.

Verademing

Je kunt er niet omheen: dit zijn allemaal indrukwekkende romanpersonages. Overtuigend neergezet zonder dat ze constant bezig zijn met de tijdgeest, met vozen of met filosoferen. Een verademing.

Nog een verademing: in de meeste van deze boeken komen maar weinig personages voor. Daardoor geen versplintering van de problematiek en niet te veel gekwek, zodat men niet dreigt te verzuipen in de dialogen.

En nog een laatste verademing: er is meer aandacht voor hoogst persoonlijke concrete zaken dan voor onpersoonlijke abstracte. Jan Hanlo heeft ten aanzien van de poëzie eens opgemerkt dat een gedicht dat geen specifiek individuele reactie of emotie verwoordt, minder kans heeft indruk te maken dan bijvoorbeeld een gedicht over het verlies van een muis. Mee eens, hetzelfde geldt voor proza. Waarmee uiteraard geen lans wordt gebroken voor de anekdote, maar voor de hoofddrijfveer van... literatuur.

Het ziet er warempel naar uit dat we beland zijn waar we wezen moeten, althans bijna. Want als de kinderboeken van mijn lijstje inderdaad beantwoorden aan mijn verwachtingen van literatuur, hoe houd ik dan vol dat een boek nooit literair kan zijn als het voor een doelgroep werd geschreven?

Daar hoef ik niet lang over te piekeren: blijkbaar wérden deze boeken niet voor een doelgroep geschreven. De schrijvers ervan hebben domweg zo goed en zo persoonlijk mogelijk uitgedrukt wat ze te zeggen hadden. Dat dat kinderen aanspreekt van 8 tot 88 jaar lijkt me mooi meegenomen. Ja, kinderen hebben alles in het klein maar wel een heel groot hart.

Dit is de tekst van de lezing die Charlotte Mutsaers gisteren uitsprak ter gelegenheid van de uitreiking van de Woutertje Pieterse-prijs aan Guus Kuijer voor zijn boek `Ik ben Polleke hoor!'.