Koninklijke weg leidt naar Kamer

Familiezaken, ook koninklijke, moeten in familiekring worden opgelost. Maar als het openbaar belang, het aanzien van de monarchie, in het geding is, rest de premier maar één ding: zo volledig mogelijk verantwoording afleggen aan het parlement, meent Alis Koekkoek.

Bij de beantwoording van alle vragen die rijzen rond het destijds lichten van het doopceel van Edwin de Roy van Zuydewijn, de echtgenote van prinses Margarita, moet de koninklijke weg worden bewandeld. Die koninklijke weg, rechttoe rechtaan, zonder naar links of naar rechts af te wijken (zie het bijbelboek Numeri 20:17), is de weg van de ministeriële verantwoordelijkheid. Elke andere weg, zoals het in het geding brengen van de rol van de koningin of van ambtenaren, brengt alleen maar staatsrechtelijke mist en narigheid.

De premier is zich daarvan kennelijk bewust. Woensdag kondigde hij aan dat de regering alles zal doen om de Tweede Kamer zo volledig mogelijk te informeren, waar nodig vertrouwelijk.

Naar aanleiding van de interviews van prinses Margarita, de verklaring van de minister-president en de brieven van de regering over deze kwestie zijn genoeg vragen te stellen. Daarbij is het van belang te onderscheiden tussen staatsrechtelijke vragen en andere vragen. Prinses Margarita is een nicht van de koningin. Zij is lid van de koninklijke familie, maar géén lid van het koninklijk huis. Voor haar bestaat dus geen ministeriële verantwoordelijkheid.

Een niet-staatsrechtelijke vraag is bijvoorbeeld hoe prinses Margarita ertoe is gekomen, tegen het advies van haar familie in, te huwen met Edwin de Roy van Zuydewijn. Het antwoord op deze vraag is een privé-aangelegenheid van het paar. Wat verder tussen hen en de koninklijke familie is voorgevallen, is in beginsel een familieaangelegenheid.

Een volgende vraag is waarom het paar de afwijzende houding van de familie niet geaccepteerd heeft en zijn eigen weg is gegaan. Van acceptatie was geen sprake, integendeel. Zij hebben het nodig gevonden hun roddels uit te bazuinen in HP/De Tijd, de Stern en NOVA. Prinses Margarita is daarbij heel ver gegaan in het weergeven van gesprekken met de koningin en het doen van beschuldigingen aan haar adres. Te ver: het beschuldigen van de koningin van `machtsmisbruik' is aan te merken als majesteitsschennis (artikel 111 Wetboek van Strafrecht). Een dergelijke uitdrukking lijkt mij niet noodzakelijk voor de verdediging van de belangen van Margarita. Men kan zich overigens voorstellen dat het openbaar ministerie afziet van vervolging `op gronden aan het algemeen belang ontleend', het zogeheten opportuniteitsbeginsel.

Daarmee zijn we bij de staatsrechtelijke kant van de kwestie. De verklaring van minister-president Balkenende van afgelopen woensdag, de excuusbrief van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie aan het echtpaar De Roy van Zuydewijn-De Bourbon de Parme en de berichten over de rol van de directeur van het Kabinet der Koningin leveren genoeg staatsrechtelijke en andere juridische vragen op.

De minister-president heeft zich fel gekeerd tegen de beschuldigingen dat het hoofd van de Rijksvoorlichtingsdienst en de koningin gesprekken hebben opgenomen. Dat is begrijpelijk, want het is niet fatsoenlijk een gesprek dat je voert op te nemen zonder de gesprekspartner in te lichten. Strafbaar is het opnemen van een gesprek waaraan je zelf deelneemt echter niet. Dat geldt ook voor de opnames die prinses Margarita naar eigen zeggen heeft gemaakt van de gesprekken met de koningin en het hoofd van de RVD.

Volgens de minister-president hebben de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging en de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst, de BVD, in 2000 informatie over Edwin de Roy van Zuydewijn verzameld. Dit roept de vraag op of de verantwoordelijke ministers daarvan op de hoogte waren. Het lijdt geen twijfel dat het verzamelen van informatie tot de taakopdracht van deze diensten behoort. Voor de beveiliging van het koninklijk huis is de minister van Justitie de eerstverantwoordelijke. Voor de BVD is dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De toen geldende Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten legde het hoofd van de BVD de verplichting op de minister bij voortduring in kennis te stellen van al hetgeen van belang kan zijn. Men moet aannemen dat een belastend dossier over een aanstaand lid van de koninklijke familie van enig belang is. Het verbaasde mij dat de toen verantwoordelijke minister, Bram Peper, naar de minister-president wees voor de rol van de BVD. Hij was immers zelf verantwoordelijk, ook al zou het hoofd van de BVD hem niet hebben geïnformeerd. De huidige minister, Remkes, zal moeten uitleggen hoe één en ander is gegaan.

Mede namens de minister-president hebben de ministers Remkes en Donner gisteren een excuusbrief gezonden aan prinses Margarita en de heer De Roy van Zuydewijn. Zij betreuren het dat zij het verzamelen van informatie door onder meer de BVD abusievelijk niet hebben betrokken bij hun eerdere correspondentie met het echtpaar. De vraag is waarom de toenmalige minister De Vries niet heeft laten informeren bij de BVD of er een onderzoek was gedaan vóórdat hij de brief van het echtpaar beantwoordde.

Dan is er de rol van de directeur van het Kabinet der Koningin. Hij zou het verzoek aan de BVD hebben gedaan. Er moet duidelijkheid komen over de vraag of zijn verzoek een routineaangelegenheid was, of dat het via de minister van Binnenlandse Zaken had moeten lopen. Het Kabinet der Koningin is de verbindingsschakel tussen koningin en ministers. Het is geen onderdeel van de hofhouding. Voor de begroting van het Kabinet der Koningin is de minister van van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk. Voor het functioneren van de directeur als vertrouwenspersoon van de koningin, draagt de minister-president de verantwoordelijkheid.

Volgens de minister-president zijn op basis van de verworven informatie in familiekring gesprekken gevoerd. De vraag is in welke vorm de informatie is verstrekt. Dat het BVD-dossier aan de vader van prinses Margarita is verstrekt, wil er bij mij niet in.

Vragen te over waarop de ministers een nader antwoord zullen moeten geven. Er rust met name een zware taak op de schouders van premier Balkenende. Voor familiezaken zal in de kring van de familie een oplossing moeten worden gezocht. Waar het openbaar belang, het aanzien van de monarchie, in het geding is ligt er een taak voor de minister-president. Daarbij is de enige, koninklijke weg die van een zo volledig mogelijke verantwoording aan het parlement.

Prof. mr. A.K. Koekkoek is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Tilburg.