Jagen op een Naam

Waar is het misgegaan in de moderne beeldende kunst? Bij Andy Warhol en zijn nagemaakte `Brillo-boxes', bij Marcel Duchamp en zijn als kunstwerk geëxposeerd urinoir, of al bij de romantci die de kunst afhankelijk maakten van het genie van de kunstenaar? Het heeft nauwelijks zin de vraag te stellen, tenzij je ervan uitgaat dat de geschiedenis kan worden teruggedraaid. Kun je trouwens wel zeggen dat er iets is misgegaan? Waar moet het criterium vandaan komen om dat te beoordelen?

Onzekerheid alom. Sinds alle traditionele kaders zijn opgeruimd, beginnen de problemen al bij het vaststellen óf iets als kunst moet worden opgevat. Wie of wat bepaalt dat een klomp vet, een reeks vakantiekiekjes of een bouwsteiger vol televisietoestellen `kunst' is – behalve de kunstenaar zelf die een en ander als zodanig aanbiedt? Daarna komen galeriehouders, conservators, tentoonstellingenmakers, kunstcritici en kapitaalkrachtige verzamelaars, die deze claim al dan niet honoreren. Vandaar dat het belang van hun stem zo sterk is toegenomen.

Maar onfeilbaar zijn zij allerminst. Ook voor hen blijft de onzekerheid levensgroot. Onzekerheid is de `essentie van mijn werk', zegt Thomas Locher, de jonge, ambitieuze galeriehouder, die optreedt als verteller en hoofdpersoon in het romandebuut van Hans den Hartog Jager, Zelf God worden. Dat lijkt van zelfkennis te getuigen, maar uit de rest van de roman blijkt juist dat je aan zelfkennis weinig hebt, wanneer andere motieven zoals ambitie en quasi-artistieke pretentie de overhand krijgen.

Den Hartog Jager, op grond van zijn vele artikelen over kunst en literatuur geen vreemde voor de lezers van deze krant, lijkt van de hedendaagse kunstwereld geen al te hoge dunk te hebben. Hij roept een wereld op van merkkleding, snobisme en pretentieuze leegte – geknipt voor een snijdende satire. Maar een satire is Zelf God worden niet geworden. Daarvoor blijft de toon te ernstig, ook als er de meest onzinnige zaken worden beschreven – net als in de echte kunstwereld. Een satire zou misschien te makkelijk zijn. Nu wordt ook de lezer geconfronteerd met onzekerheid: hoe serieus hij dit boek wenst te nemen, zal hij zelf moeten beslissen.

Wèl schotelt Den Hartog Jager die lezer een suggestief dilemma voor. Want de jonge galeriehouder wordt in de roman op sleeptouw genomen door een wereldberoemde, zij het ietwat dubieuze kunstenaar. En aan het eind van het boek vraag je je af: is Thomas Locher de geprivilegieerde getuige van het volmaakte `kunstwerk' dat Lucas Thorvaldsen heeft bedacht of is hij de onbewuste medeplichtige van een ordinaire schilderijendiefstal? List en bedrog of hemelbestormende ideeënkunst – ziedaar het dilemma, dat suggestief mag heten omdat de criminele optie in de echte kunstwereld doorgaans ontbreekt.

Strikt formeel gezien blijft het in het midden hoe de zaak moet worden opgevat. Kunst is `interpretatie', horen we meer dan eens, en dat slaat ook, bij wijze van spiegeleffect, op de roman zelf. Het ligt er maar aan wie of wat je bereid bent te geloven: de goedgelovige Thomas (een opvallende tegenpool van zijn bijbelse naamgenoot) die het verhaal vertelt, of de in de tekst verborgen aanwijzingen dat het met de beroemde Lucas niet helemaal snor zit. Diens roem blijkt vooral te berusten op schandalen en door de media opgeklopte sensatiezucht, en tijdens een dure lunch vindt Thomas de `kunstenaarsvorst' er met zijn zwarte pak en patserige manieren bijna net zo uitzien als een `penosekoning'.

In hetzelfde licht kun je Lucas' ontvreemding van Robert Rauschenbergs `Erased De Kooning Drawing' (1953) zien. Lucas presenteert zijn daad als een logisch vervolg op wat Rauschenberg heeft gedaan: Rauschenberg wiste De Koonings tekening uit, hij op zijn beurt doet het hele kunstwerk verdwijnen. De ontvreemding is het begin van een nieuw project, dat hij `Operatie Onzichtbaarheid' noemt en dat hem tot specialist van de `leegte' moet maken. Voor de gedupeerde galeriehouder, bij wie Lucas het kunstwerk heeft gestolen, is het gewoon diefstal en met grof geweld komt hij het ontstolene dan ook bij Thomas terughalen.

Zelfs de klappen die Thomas daarbij oploopt brengen hem niet op andere gedachten; hij blijft in Lucas en diens schimmige project geloven, verblind door ambitie (eindelijk een `Grote Naam' in zijn galerie!) en gevleid doordat Lucas hem heeft uitverkoren zijn `boodschapper naar de wereld' te worden. Duidelijk wordt ook waarom juist Thomas is uitgekozen: dat komt door zijn afstudeerscriptie over een kunstenaar die bij wijze van kunstwerk een zeiltocht heeft gemaakt en daarvan nooit is teruggekeerd. Thomas is, met andere woorden, voor Lucas de ideale compagnon – of het ideale slachtoffer.

Voor de tweede en cruciale fase van `Operatie Onzichtbaarheid' moet hij afreizen naar Aix-en-Provence, de stad van Cézanne, waar Lucas hem opwacht. Wat daar precies te gebeuren staat, krijgt Thomas niet te horen, maar het vooruitzicht op iets bijzonders volstaat om in zijn ontvankelijke gemoed een lawine van speculaties en interpretaties te ontketenen. Achter bijna alles wat hem overkomt, vermoedt hij de sturende hand van Lucas. Op deze manier komt hij in de juiste stemming voor de ultieme daad, die te maken heeft met Picasso (begraven in het vlakbij Aix gelegen dorpje Vauvenargues) en uiteraard met de zo vaak door Cézanne geschilderde Mont Sainte-Victoire, volgens Lucas `het hart, het nulpunt van de moderne kunst'.

Hoe het allemaal precies in zijn werk gaat, zal ik niet verklappen. De roman is opgezet als een soort thriller en het zou dus onsportief zijn de ontknoping prijs te geven. Zo belangrijk is die ook niet. Van belang is vooral dat de ontknoping twee verschillende interpretaties mogelijk maakt. En van belang is ook de vraag wat er met dit dubbelzinnige einde gezegd wil zijn.

De onzekerheid is voor Thomas niet enkel een handicap. Integendeel, juist de onzekerheid verzekert een galeriehouder als hij van een plaatsje in de voorste gelederen van de kunst. Niet toevallig verkoopt hij geen schilderijen, maar alleen `grenskunst': fotografie, installaties, ideeën. Kunstwerken waarvoor het fiat van de galeriehouder beslissend kan zijn. Wie alleen schilderijen verkoopt, is `niet meer dan een doorgeefluik, een grutter'. Thomas daarentegen wil meer, hij wil, zoals hij zelf zegt, `iets in te brengen hebben'.

De ironie van het verhaal wil dat juist dit verlangen hem de das om doet. Hoogmoed komt voor de val. Een galeriehouder die via een omweg zelf kunstenaar of `God' wil worden, wordt gestraft; de echte kunstenaar, als de criminele interpretatie tenminste de juiste is, heeft allang begrepen dat het in het leven om heel andere zaken draait.

In weerwil van de wat belegen, maar moeilijk ongeldig te noemen moraal, heeft Den Hartog Jager zijn verhaal vernuftig in elkaar gestoken. Er is alleen één groot nadeel: het duurt allemaal veel te lang. In extenso krijgen we de verwarring en onzekerheid van Thomas voor onze kiezen, zonder dat daaruit een intrigerend karakter oprijst. Thomas Locher, een man zonder privé-leven, is leeg en blijft leeg, net als het dichtgemetselde gat (in het Duits `Loch') in de vloer, dat hij zelf als het `kloppende hart' van zijn galerie beschouwt.

Door het verhaal zo uit te rekken en nauwelijks te verdiepen of te verdikken, laat de schrijver de spanning eruit wegvloeien. Dat je toch doorleest, komt door de beproefde thrillertechnieken zoals cliffhangers en slimme verspringingen in de tijd. Op den duur gaan die trucs alleen iets te veel opvallen, en zodra dat gebeurt, verliezen zij hun effect. Het is doodzonde dat Hans den Hartog Jager van een in aanleg sublieme novelle – een mooie dubbelzinnige parabel over de perikelen van het huidige kunstbedrijf – met alle geweld een lijvige roman heeft willen maken.

Hans den Hartog Jager: Zelf God worden. De Bezige Bij, 363 blz. €21,50