Zorgvuldig boekhouden niet altijd gegarandeerd

De boekhoudkundige zorgen zijn terug van weggeweest. Hoe schokkend ze ook waren, de onthullingen van vorig jaar over boekhoudkundige fratsen bij snelgroeiende technologiebedrijven leken een vanzelfsprekende echo van het barsten van de internetzeepbel. Maar de plotselinge noodzaak die zich bij Ahold openbaarde om 500 miljoen dollar aan winsten te herzien moet beleggers stof tot nadenken geven. Als er in een alledaagse bedrijfstak als de detailhandel al op zo'n grote schaal met de boeken kan worden geknoeid, is er dan niemand meer veilig?

In principe lijkt dat inderdaad het geval te zijn. De grootste problemen bij Ahold stammen van zijn cateringdivisie US Foodservice, die zichzelf onverdiend rijk rekende door kortingen van zijn leveranciers als winst te boeken. Dat is absoluut geen sectorgebonden boekhoudtechnische kwestie, zoals het geschuif met capaciteit in de telecomsector of de duistere herverzekeringsovereenkomsten van verzekeraar MLP. De algemene regel dat omzet en kosten als zodanig moeten worden geboekt op het moment dat zij gemaakt worden, is vaag. Daardoor worden agressieve praktijken mogelijk gemaakt zoals het vooruitlopen op kortingen die niet worden verwezenlijkt, of het niet uitsmeren van inkomsten over de hele looptijd van een contract.

Ook is de overkoepelende zorgvuldigheidsplicht geen wet van Meden en Perzen. Accountants kunnen net zo vatbaar zijn voor de koorts van een beurshausse als wie dan ook. En de mogelijkheden voor een flirt met de onzorgvuldigheid zijn legio.

Producenten kunnen hun ongewenste voorraden doorschuiven naar de detailhandel en als verkopen boeken, terwijl ze in het geheim hun krediettermijn verlengen. Bouwbedrijven, met name die met ingewikkelde samenwerkingsovereenkomsten met de publieke sector, zijn ruimschoots in de gelegenheid om kosten heen en weer te schuiven. En bij overnamemonsters als Ahold is de kans groter dat de controles van het management op nieuwe dochterondernemingen zwak zullen zijn of geschaad worden door de noodzaak om overeenkomsten er met terugwerkende kracht goed uit te laten zien. Het is zeker geen toeval dat de niet bestaande winst van US Foodservice werd geboekt in het eerste jaar na de overname door Ahold.

Op welke geruststelling kunnen beleggers hopen? In theorie zou cash een lakmoesproef moeten zijn. De zogeheten cash conversion, gemeten als de verhouding tussen de operationele kasstroom, minus kapitaaluitgaven, ten opzichte van de operationele winst, zou in beginsel dicht bij de 100 procent moeten liggen, als de omzet en de kosten zorgvuldig worden geboekt en de kapitaaluitgaven van een bedrijf in de buurt liggen van de afschrijvingskosten. Maar in de praktijk is deze methode niet waterdicht.

Een lage waarde van de cash conversion kan het gevolg zijn van hoge kapitaaluitgaven of van grote ongunstige bewegingen van het werkkapitaal. Daar hoeft niets mis mee te zijn, maar het kan ook gaan om het verhullen van bedenkelijke boekhoudkundige praktijken. Een vergelijking met soortgelijke bedrijven kan uitsluitsel geven. Bij Ahold bedroeg de cash conversion in 2001 bijvoorbeeld 0 procent, terwijl concurrerende supermarktketens op een niveau van 60 tot 70 procent uitkwamen, ondanks hun eigen grote investeringen. Dat had een waarschuwing kunnen zijn.

Onder redactie van Hugo Dixon.

Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com.

Vertaling Menno Grootveld.