Vriendelijke reuzen

Onder luid gespetter gaan ze de rivier in, de olifanten van Kinabatangan. Ze plonzen rond, schuieren zich in de modder en spoelen met hun slurven de kleintjes schoon. ``Ze zijn kleiner dan elders, met langere staarten en rechte slagtanden'', zegt zoöloog dr. Geoffrey Davison. ``Borneo was vroeger dichtbebost. Daardoor ontstond hier in de loop van de evolutie een aparte ondersoort van de Aziatische olifant, Elephas maximus borneensis, helemaal aangepast aan het leven in de bossen.''

Er leven nog zo'n honderd van deze vriendelijke reuzen langs de Kinabatangan rivier en haar zijrivieren. De vraag is hoe lang nog. Honderd jaar geleden was Sabah, de Maleisische deelstaat aan de noordoostkant van het eiland Borneo, één groene jungle. Nu staan er oliepalmplantages zover het oog reikt. Vanaf de jaren twintig is de houtkap op gang gekomen. Vooral tussen 1975 en 1985 zijn de laaglandbossen in hoog tempo voor de bijl gegaan. Palmolie is een booming business. De helft van alle producten in de supermarkt bevat palmolie.

Op Sabah heeft de palmolie-industrie zich uitgebreid tot vlak langs de rivieroevers. Dat leidt tot steeds meer conflicten tussen mens en olifant. Als de rivier buiten haar oevers treedt, komen de olifanten in het nauw en breken ze uit naar de oliepalmplantages, waar ze veel schade aanrichten. Zo'n 85 procent van de vloedvlakte is ontbost en in cultuur gebracht, het resterende bos is versnipperd en in slechte staat door illegale houtkap. Dat leidt tot voedselgebrek voor de olifanten, terwijl hun populatie versnipperd raakt, uiteenvalt en met inteelt wordt bedreigd. Goed nieuws is dat de Maleisische overheid vorig jaar langs de 560 kilometer lange Kinabatangan rivier een natuurreservaat heeft ingesteld van 270 vierkante kilometer, ruwweg een kwart van de Veluwe.

De olifanten trekken hier in kleine familiegroepjes van hooguit acht dieren onder leiding van oma door het regenwoud. Aan de rivieroever komen soms grotere groepen samen. Schattingen van de leefruimte die olifanten nodig hebben, lopen uiteen van 2 tot 20 vierkante kilometer per dier. Het huidige reservaat is dus te klein om de olifant duurzaam te laten voortbestaan. ``We kunnen dus twee dingen doen: Het aantal olifanten verminderen of hun leefgebied uitbreiden. Het liefst willen wij dat laatste'', zegt Davison. Davison is programmadirecteur Borneo van het Wereld Natuur Fonds. Samen met zijn Maleisische collega Datuk Rajah Indran was hij even in Nederland om steun voor het Kinabatangan project te werven. Doel is het inrichten van een groene verbindingszone langs de beide rivieroevers, die de olifanten vrije doorgang verschaft naar andere natuurgebieden verder landinwaarts.

``Van oorsprong is Kinabatangan een van de rijkste ecosystemen op aarde'', zegt Datuk Rajah Indran. ``Dicht bij elkaar vind je hier laaglandbossen en rivierbegeleidende bossen, maar ook enkele van de laatste zoetwatermoerasbossen van Azië, en mangrovebossen langs de riviermonding naar zee.'' Er leven hier tien soorten primaten, waaronder zo'n 100 orang oetans en diverse haremgroepjes van de Proboscis aap, die met zijn merkwaardige lange neus en dikke buik op Borneo bekend staat als Orang belanda of Dutch monkey. ``We zoeken daar nu een andere naam voor'', zegt Rajah Indran. De zeer zeldzame zwart-witte storm-ooievaar behoort tot de 200 vogelsoorten die in het gebied voorkomen. Ook de luipaardkat, de Maleisische beer en het Sambah hert zijn vaste bewoners van rivierbos. En ergens sjokken nog twee laatste exemplaren van de bijna uitgestorven Sumatraanse neushoorn rond. In de rivier zwemmen rivierkrokodillen en zeldzame zoetwaterhaaien. Oude, inmiddels afgesneden rivierarmen zijn veranderd in zogenoemde hoefijzermeren (oxbow lakes) die als kraamkamers voor vissen dienen. Het natuurreservaat trok vorig jaar zo'n 20.000 ecotoeristen. Nu de houtkap bij gebrek aan hout een aflopende zaak is, vormt ecotoerisme een welkome nieuwe inkomstenbron voor de `riviermensen' of Orang sungai, de bewoners van de 15 traditionele dorpen langs de rivier. Maar dat weerhoudt ze nog niet van hun illegale houtkap in het natuurreservaat.

Boomkwekerijen

Davison: ``We hopen nog minstens 250 km² terrein op de palmolie-industrie terug te winnen en opnieuw te bebossen. Daarvoor hebben we boomkwekerijen en proefstations opgezet. Met de palmolie-industrie valt uiteindelijk best te praten. Zij willen de laagst gelegen gronden best verkopen want die zijn minder productief dan gehoopt. En als de olifanten meer ruimte krijgen, richten ze minder verwoestingen op de plantages aan.''

Tot nog toe worden de dieren op afstand gehouden met kostbaar schrikdraad, door ze af te schrikken met grote vuren, knalinstallaties en soms door ze te verwonden. Het Wereld Natuur Fonds is in gesprek met de twee grootste maatschappijen, Pontian United Plantations, Global Agri Service en Borneo Samudera over een ander landgebruik in de vloedvlakten langs de rivier. De regelmatig terugkerende overstromingen richten namelijk miljoenenschades aan op de laagst gelegen plantages. Het klimaat op Sabah kent twee seizoenen: nat en kletsnat. Tussen november en maart zwelt de rivier soms zes tot zeven meter, door ontbossing en veranderend landgebruik stroomopwaarts worden de overstromingen steeds heviger. Jonge palmbomen rotten weg, oudere oliepalmen worden in hun groei geremd. De laatste grote overstroming was in 2000. Bovendien bedreigen het afvalwater van de palmoliewinning, de kunstmest, bestrijdingsmiddelen en bodemerosie de waterkwaliteit van de rivier. Davidson: ``Dat alles maakt het voor die bedrijven steeds lastiger om zich in de vloedvlakte aan de aangescherpte milieuwetgeving te houden.''