Bestuurder van een goed geoliede geldmachine

Bernie Ecclestone regeert met ijzeren vuist de Formule 1. Vrijwel uit het niets heeft hij een immens zakenimperium opge- bouwd dat zijn gelijke in de sport niet kent.

`Een uit de hand gelopen hobby van een stelletje Engelse garagehouders', omschreef de nu 72-jarige Bernard Charles Ecclestone (Bernie) in zijn jonge jaren wel eens laatdunkend de Formule 1, de eredivisie van de autorensport. Het waren veelal vrije jongens die in het naoorlogse Engeland eindeloos in de weer waren met het opvoeren van oude auto's en daarmee tegen elkaar raceten op de vele tientallen circuits die Engeland rijk was, meestal oude start- en landingsbanen van de RAF uit de Tweede Wereldoorlog. Ecclestone voelde zich volledig thuis in dit wereldje, waarin ook een deel van de treinrovers die begin jaren '60 de posttrein van Londen naar Glasgow overvielen, zich bewoog. Daaruit valt ook de gossip uit de tabloids in de jaren '70 te verklaren dat Ecclestone het fundament voor zijn fortuin door zakenblad Forbes op drie miljard dollar geschat zou hebben gelegd met geld van de grote Britse treinroof.

De realiteit is anders. Het wheelen en dealen zat Ecclestone, zoon van een trawlerkapitein, al vroeg in het bloed. Voor schooltijd ging hij naar de bakker om snoepwaar te kopen dat hij dan in de pauze aan zijn mede-leerlingen tegen een hogere prijs verkocht. Op 16-jarige leeftijd verliet hij school. Op advies van zijn vader volgde hij nog een scheikundecursus, maar dat was van korte duur. Hij begon met succes te handelen in motoren, tweedehands auto's en onderdelen. Ook was hij op de circuits te vinden. Eerst een blauwe maandag als coureur (te weinig talent, oordeelde hij zelf), later als manager van coureur Stuart Lewis-Evans, die verongelukte tijdens de Grand Prix van Marokko in 1958. Ook was hij manager-zakenpartner van de Oostenrijker Jochen Rindt, die postuum na zijn ongeluk op Monza in 1970 tot wereldkampioen werd uitgeroepen.

Na de dood van Rindt werd Bernie Ecclestone teammanager. Hij kocht begin jaren zeventig het Brabham-team waar Graham Hill achter het stuur zat. Met Braziliaan Nelson Piquet leverde Ecclestone als teameigenaar daarna twee wereldkampioenen af in de F1. Deze `sportieve' prestaties vormden voor Ecclestone echter niet meer dan de opmaat naar de vorming van een zakenimperium dat zijn gelijke in de sportwereld niet kent.

Hij begon op een tamelijk onschuldige manier allerlei zaken naar zich toe te trekken in de toen nog amateuristisch geleide Formule 1, door zijn collega-teammanagers allerlei besognes uit handen te nemen waar hun hoofd niet naar stond. Ecclestone regelde de verzekeringspremies wanneer het dure racemateriaal door de lucht moest worden vervoerd naar andere continenten; hij regelde ook de rest van het vervoer en de hotels. Daarna nam hij in 1987 zitting als vice-voorzitter in het bestuur van de internationale autosportfederatie (FIA), om ook bestuurlijk dicht bij het vuur te zitten. Circuitdirecties moesten toen al bij hem langs om voor ruim een miljoen dollar een Grand Prix te mogen organiseren; coureurs kregen alleen hun superlicentie om op het hoogste niveau te mogen racen als Ecclestone daar toestemming voor gaf. Zelfs Sylvester Stallone moest op audiëntie bij de `peetvader van de Formule 1': om beleefd aan Ecclestone te vragen of hij tegen een grote vergoeding een film over de Grandprix-wereld mocht maken. Díe film kwam er niet.

Maar de grootste financiële klapper maakte Ecclestone toen hij voor 360 miljoen dollar (zestig miljoen dollar ineens en daarna een eeuw lang elk jaar drie miljoen) in bezit kwam van de televisierechten voor de Formule 1. Die werden hem in 1981 voor honderd jaar in handen gespeeld door de FIA, het orgaan waarvan Ecclestone vice-voorzitter is en zijn vriend en vroegere huisadvocaat Max Mosley voorzitter. Onder meer de failliete Duitse mediatycoon Leo Kirch, maar ook anderen, zouden Ecclestone jaren later een miljardenbod doen voor die tv-rechten. Formule 1 is momenteel de op een na populairste televisiesport ter wereld, na voetbal.

Maar zo gemakkelijk doet Ecclestone geen afstand van zijn race-imperium, dat door hem wordt bestuurd vanuit een kantoor in Hyde Park in Londen. De financiële belangen van het labyrint van werkmaatschappijen zijn grotendeels ondergebracht op de fiscaal vriendelijke Kanaaleilanden en het voor buitenlandse bedrijven fiscaal vriendelijke Nederland. Ecclestones bereidheid van tot grote financiële risico's en zijn vermogen bij iedere deal het onderste uit de kan te halen hebben van hem een van de rijkste mensen van Engeland gemaakt.

Zijn macht en reputatie zijn Ecclestone zo vooruit gesneld dat hij zelfs de toorn van de Europese Commissie over zich heeft afgeroepen. Voormalig Eurocommissaris Van Miert (Mededinging) noemde de manier waarop hij de tv-rechten in de Formule 1 had verkregen en de belangenverstrengeling van Ecclestone in de racewereld openlijk `onfris'.

Van Mierts opvolger Monti heeft om die reden tot twee keer een beursgang van Formula One Holdings (FOH), waarin Ecclestone de tv-rechten en de merchandising van de F1 heeft ondergebracht, geblokkeerd. Ook raakte Ecclestone in opspraak toen bekend werd dat hij een miljoen pond sterling in de verkiezingskas van Tony Blair had gestort. ,,Om te zorgen dat tabaksreclame in de Formule 1 op Engelse circuits niet wordt verboden'', schreeuwden tegenstanders. ,,Omdat ik veel aan charity doe en een Labour-hart heb'', verklaarde Ecclestone, die na de politieke rel het miljoen netjes heeft terugontvangen.

Wel heeft hij inmiddels voor een miljardenbedrag een belang van 75 procent van FOH van de hand gedaan aan diverse zakenbanken. Hoewel hij afgelopen week weer dreigde voor een miljard pond een bod te doen om het verkochte deel van FOH weer terug te kopen.

In 1999 kreeg hij hartklachten. Met drie bypasses is hij nu weer terug in het Grandprix-circus. Maar de tijd staat ook voor deze zakentycoon niet stil. Hij zit in de winter van zijn leven. Met zijn dood zouden veel F1-geheimen mee het graf ingaan. Ook vervalt in dat geval de resterende 25 procent van FOH die hij nog in bezit heeft aan zijn 43-jarige Kroatische vrouw Slavica, een voormalig Armani-model, en hun twee dochters. In een van zijn ontboezemingen verklaarde Ecclestone aan de vooravond van de Britse Grand Prix van 1997, toen hij nog druk was met een beursgang, aan de BBC derhalve: ,,Dat zou pas echt een ramp voor deze sport betekenen.''

    • Marc Serné