Oogsten na een rampjaar

`We gaan fantastische tijden tegemoet. Voor columnisten', schreef cultuurhistoricus Thomas von der Dunk juli vorig jaar in zijn column op de newssite van Planet Internet. Nu is het tijd voor columnisten om de oogst van die fantastische tijden binnen te halen, ook voor Von der Dunk. Hij bundelde zijn internetcolumns, samen met enkele verspreide artikelen, in De Vader, de Zoon en de Geest van Pim.

De religieuze metafoor keert terug in een groot aantal van zijn columns. Von der Dunk, die zichzelf ooit omschreef als een `libertijns sociaal-democraat', ziet het `Rampjaar 2002' namelijk als het jaar `waarin Nederland massaal zijn verstand verloor' en zich overgaf aan de hype rond Pim Fortuyn, een `pseudoreligieus spektakel'. Mat Herben noemt hij `onze nieuwe Paulus', want zoals Paulus een lijntje met Jezus had, of dat althans beweerde, zo heeft Herben een lijntje met Pim. En net als Paulus probeerde Herben de beweging van zijn Messias te disciplineren, en gaf hij zijn eigen ideeën uit als inblazingen van boven. `Had immers Hij niet al tot hem tijdens het Laatste Ochtendgesprek gezegd: Op u en de JSF zal ik Mijn Koninkrijk bouwen?'

Dat mag geestig zijn, verhelderend is het niet. Wanneer Von der Dunk het `pseudoreligieus spektakel' probeert te verklaren, maakt hij zich er ook makkelijk vanaf: ontzuiling, globalisering en 11 september hebben voor onzekerheid gezorgd. Dan `groeit de behoefte aan publieke rituelen die de verloren nationale samenhang moeten bezweren'. Zoiets hebben we wel vaker gehoord, en ook het beeld dat Von der Dunk schetst van Wim Kok als de grote Verzoener is een cliché.

Wat natuurlijk niet in het voordeel van de auteur werkt, is de lichte weerzin die op komt zetten als je zo kort na het `Rampjaar' weer leest over wat er allemaal niet deugde in de politiek. Zaken die je het liefst zou vergeten rakelt Von der Dunks allemaal weer op: kort gezegd de `puinhopen van Pim'. De `politieke rommel' van de LPF, het geschipper van de oude partijen. Af en toe levert dat een scherp geformuleerde column op, waarin de actualiteit van toen in een nieuw licht komt te staan. Bijvoorbeeld als hij op 16 september schrijft over de steun van de Nederlandse regering voor eventuele Amerikaanse oorlogsplannen: `Hoeveel soldaten is het huidige kabinet bereid ter bevrijding van Bagdad te laten sterven? Evenveel als het weggehoonde vorige voor de verdediging van Srebrenica?'

Von der Dunk berijdt met liefde enkele stokpaardjes, zoals we die kennen uit zijn vorige bundel Alleen op de wereld (2001): zijn afkeer van het Oranjecircus en van het conservatief reveil. Ook de zelfgenoegzame en tegelijk marginale rol van Nederland in de internationale gemeenschap komt weer ter sprake, en Von der Dunk klinkt bijzonder bitter als hij het in dit verband over `de moeizame gang van Kok naar Srebrenica' heeft. Verantwoordelijkheid erkennen en spijt betuigen, daarin faalt Nederland keer op keer: `We hebben het namelijk altijd zo goed bedoeld, en als de bedoeling goed is, doet de uitkomst er minder toe'.

Thomas von der Dunk: De Vader, de Zoon en de Geest van Pim. Nederland in het Rampjaar 2002. Van Gennep, 108 blz. €9,90

    • Martijn Meijer