Niemand heeft nooit geen geluk

Zie de mensen.

In een volksbuurt, ergens in de grote stad, betrekken acht draagkrachtige middenklassers hun koopwoning in een modernistisch appartementencomplex. Geen van allen zijn ze gelukkig. Een ouder echtpaar met een Duits aandoende naam lijdt onder opspelende oorlogstrauma's. Een journaliste van een vrouwenblad komt niet los van haar onbetrouwbare grote liefde. Een teruggetrokken violist werkt met vallen en opstaan aan het verklanken van een gedicht. Een labiele schoonheid gaat gebukt onder de omvang van haar borsten. Een ingenieur probeert zijn woede over een mislukte relatie te sublimeren in een proefschrift. Twee academici hebben een huwelijk dat bedreigd wordt door een geheim dat de vrouw niet durft te openbaren.

De toch al niet geringe problemen van deze `acht zonder stuurman' worden verergerd door hun nieuwe woonomgeving, die behalve door absurde geluidsoverlast gekenmerkt wordt door vijandige buren van zowel autochtone als allochtone afkomst. Het complex is neergezet onder een ongelukkig gesternte: het is gebouwd op een open plek met een schimmige historie en misstaat tussen de vervallen roodstenen gevels; bovendien is het de uitkomst van een weinig populair stadvernieuwingsproject van de gemeente. De burgemeester heeft het in een onbewaakt ogenblik vergeleken met een bijenkorf, waarin geen plaats is voor strontvliegen.

In zijn rijke nieuwe roman Wolfstonen kruipt Herman Franke in de huid van een twintigtal personages, onder wie niet alleen de bewoners van het `akoestische gekkenhuis' en de volkse types die hen omringen, maar ook twee kleine kinderen die als het koor in een Griekse tragedie de gebeurtenissen rondom de bijenkorf gadeslaan en becommentariëren. Het is een ambitieuze en beproefde manier van vertellen, die teruggaat op de grotestadsromans van vroeg-twintigste-eeuwse modernisten als James Joyce (Ulysses) en Virginia Woolf (Mrs Dalloway). Maar het is ook een specialisme van Franke, die het middelpuntzoekende perspectief eerder toepaste in de met de AKO-prijs 1998 bekroonde roman De verbeelding, waarin een groot aantal personages levend en dood, bezield en onbezield – te maken krijgt met een naaktportretje van de minnares van de Engelse zeeheld Nelson.

Sprekende doden en denkende standbeelden komen in Wolfstonen niet voor; maar de personages zijn verscheiden en aandoenlijk genoeg om de aandacht van de lezer bij Franke's symfonische, of eerder filmische, opzet vast te houden. Beeldje voor beeldje leren we hen kennen, inclusief hun angsten en ambities. `[Dit was] zo'n roman waarin mensen langzaam maar zeker het gevecht tegen hun verlangens verliezen en de bodem onder hun bestaan voelen wegzakken', merkt Angolie, de echtgenote-met-geheim, op over het hippe Franse boek dat ze vertaalt. Natuurlijk is Wolfstonen ook zo'n roman. Zo krijgt de onzekere Paulice (`In haar gingen de verkeerde gevoelens onjuiste verbindingen aan') na de zelfmoord van haar werkgever een erfenis waarmee ze haar borsten laat verkleinen om na de operatie langzaam gek te worden van nieuwe dwanggedachten. En wat te denken van de violist Elto? Hij demonstreert na eindeloos oefenen zijn viooltaal aan twee jonge leerlingen, en wordt in extase opgepakt wegens vermeende pedofilie. Het is de oude moraal van het volkssprookje: `Wees voorzichtig met je wensen; voor je het weet gaan ze in vervulling.'

Wolfstonen, genoemd naar de laagste tonen van een cello of viool die door falende resonantie niet goed willen klinken, beschrijft een paar maanden uit het leven van de bewoners van de bijenkorf. Genoeg om hen allemaal te gronde te zien gaan aan hun eigen verkniptheid, aan de hinderlijke geluiden die te onpas door de muren en uit de verwarmingskanalen komen, en vooral aan het getreiter en het geroddel van de bewoners van de oude wijk. Het begint al met het gebons van boksballen op de niet geïsoleerde zijmuren van het nieuwe pand een gevolg van de voorbereidingen voor een wedstrijd (autochtonen vs. immigranten) die opbouwwerkers hebben georganiseerd om de sfeer in de wijk te verbeteren. Maar ook daarna blijft het onrustig; het wantrouwen van liefhebbers van levensliederen en huilende zigeunerinnetjes tegen de `elitaire' cultuurtypes in het fratsige gebouw, met hun lege interieurs en intellectuele prietpraat, slaat geleidelijk om in openlijke vijandschap, en zal eindigen in een orgie van geweld. De geboren psycholoog Ista, de voorzitter van de bewonersvereniging die alle moeite doet om zijn even botte als boerenslimme buurman te paaien (`Zo, Ista, kom je even het gewone volk bekijken in je vrijetijdskloffie?'), kan daar niets aan verhelpen.

De sfeer van Wolfstonen, of liever de gedoemde interactie van verschillende lagen van de bevolking in een grote stad, doet een beetje denken aan Van geluk gesproken, Marijke Höwelers verfilmde bestseller uit de jaren tachtig; een voorbeeld waarnaar Franke speels verwijst door middel van het steeds herhaalde refrein van een (zelfverzonnen) smartlap: `Niemand zal zeggen dat ik nooit geen geluk heb gekend'. Maar in tegenstelling tot Van geluk gesproken speelt Wolfstonen niet in herkenbaar Amsterdam: zoals de vreemde namen van de personages al suggereren, is de setting een niet-bestaande stad, waar mensen lunchen met mestabroodjes en boldermelk en waar de trendy jeugd danst op `random-beat', muziek zonder ritme waar je `lekker schizo' van wordt. En anders dan Höweler mikt Herman Franke op meer dan de gulle lach.

Wolfstonen is ontegenzeglijk een humoristisch boek, met karikaturale personages (zoals de in ambtelijk koeterwaals pratende violist) en voortdurende speldenprikken naar het moderne leven (`Vartor zette het op een ongelooflijk beestachtig schreeuwen en sloeg met armen en benen als een voetballer die in de sudden death-periode van een beslissende wedstrijd heeft gescoord'). Tegelijkertijd wil Franke harde noten kraken over de verhouding tussen elitaire cultuur en massacultuur; een onderwerp dat hem na aan het hart ligt, zoals bleek uit het ingezonden stuk dat hij in 1999 schreef tegen staatssecretaris Van der Ploeg toen die wilde beknibbelen op de subsidies voor `elitekunst'.

Franke heeft zich – ook in zijn essaybundel De tuinman en de dood van Diana – opgeworpen als een ouderwetse cultuurpessimist, iemand die de beschaving teloor ziet gaan als gevolg van de debilisering van de media, de zelfkleinering van de culturele elite en de postmoderne gelijkstelling van hoge en lage cultuur. In Wolfstonen leeft hij zijn nachtmerrie uit: de opstand der horden, van de mensen die liever willen `voelen dan weten, behalve als het om voetbaluitslagen gaat.' Een clash of civilizations die veel bedreigender is dan die tussen rassen of levensovertuigingen, en die de zwakke intellectuele broeders nooit zullen winnen. Zoals de ingenieur hooghartig zegt tegen de vertaalster: `Wij zijn toleranter dan zij. Dat is in de ogen van intolerante mensen een zwakte.' Of de psycholoog tegen zichzelf: `Cultuur was een vliesje, sociale make-up, de natuur keek er dwars doorheen en ging onverstoorbaar haar gang. De natuur was extreem-rechts en communistisch tegelijk maar gek genoeg nooit christendemocratisch.'

Natuurlijk moeten we de personages niet beschouwen als afsplitsingen of spreekbuizen van de auteur. Franke bedrijft satire. Zijn onbeschaamd elitaire terzijdes (`Er bestaat nu eenmaal veel meer innerlijk dan het uiterlijk verbeelden kan, wat een rijke bron van pijnlijke misverstanden, psychisch leed en grote kunst is, maar voor veel armgeestigen domweg een zegen') liggen er net zo dik bovenop als de marxistische analyse van de moderne-vrouwenbladen (`Het Feminiene Valsbewustzijn') of de quasi-sociologische beschrijving van zogenaamde sheafheads: `Ze waren beyond ideology [...] In feite sloegen ze iedereen in elkaar die niet middle of the road wilde lopen.' Daarom kun je Wolfstonen, ondanks de vele door elkaar lopende verhaallijnen en aandachtvragende personages, ook geen soap noemen.

Wolfstonen is opgezet als een noodlotsverhaal, zoals de krachtige `Ouverture' van de roman meteen in de eerste zin duidelijk maakt (zie kader). Net als Rosenbooms Publieke werken, waarvan het niet alleen in omvang wat weg heeft, neemt het ruim de tijd om de karakters te introduceren en de dreiging op te bouwen. Te ruim misschien; af en toe lijkt het of de plot tot stilstand komt en er alleen nog in de breedte verteld wordt. Franke is een meester in sur place; hij stelt de demarrage tot het laatste moment uit. Voor een feuilletonschrijver is dat een aanbeveling; voor de satiricus die hij wil zijn is het een handicap. De grote Evelyn Waugh, die dit jaar zijn honderdste geboortedag gevierd zou hebben, had voor zijn fileringen van de Britse klassenmaatschappij maximaal driehonderd pagina's per boek nodig.

Genoeg vergelijkingen met de wereldliteratuur. Wolfstonen kan uitstekend op zichzelf staan. Als intrigerend verhaal, dat je onderdompelt in een vreemde wereld die tegelijkertijd herkenbaar is. Als stilistisch huzarenstukje, vol mooie observaties van onbeholpen menselijk contact en absurde modegrillen. En vooral als triomf van de fantasie, die door Franke al zo vaak verdedigd is tegen het volgens hem epidemische `autobiografisme' in de Nederlandse literatuur (en die ook zo welig tierde in het programmatisch getitelde De verbeelding). `Er zat te weinig angst en dreiging in de romans van tegenwoordig [...] terwijl het leven er grotendeels uit bestond' laat Franke een van zijn personages denken. Over angst en dreiging heb je in Wolfstonen niet te klagen. Maar wat belangrijker is: ook niet over humor en straatrumoer – twee dingen die in de moderne Nederlandse literatuur nog dunner gezaaid zijn.

Herman Franke: Wolfstonen. Podium, 524 blz. €25,–