Kunstenaar, u hebt een taak

Art Rotterdam op de Rotterdamse Kop van Zuid is een kunstbeurs voor actuele kunst. Ter gelegenheid van de opening sprak Anna Tilroe gisteren onderstaande lezing uit.

Misschien moet de kunst maar op zoek naar een crisisdeskundige. Want ook al zou je haar hele verloop de afgelopen eeuw als een opeenstapeling van crises kunnen omschrijven (de ene stroming was amper begonnen of de volgende keerde zich er al weer tegen), tegenwoordig wordt de crisis als dramatisch ervaren. Dat bleek recentelijk toen het door Vleeshal-directeur Rutger Wolfson samengestelde boek Kunst in crisis middels een forum werd gepresenteerd in de Amsterdamse Stadsschouwburg. De zaal zat mudvol. Ik keek ervan op. Het is waar dat zich de laatste jaren grote veranderingen voordoen in de kunst en het is moeilijk te overzien waar ze toe zullen leiden, maar deze ongewone opkomst leek te duiden op grote bezorgdheid. Klaarblijkelijk gaat het echt niet goed met de kunst.

De bezoeker van de Rotterdamse kunstbeurs in de voormalige Cruise Terminal moet dit bizar in de oren klinken. Mooie schilderijen, fraaie sculpturen, bijzondere foto's: waar hèbben ze het over! Nergens vind je nog een spoor van de aloude richtingenstrijd tussen figuratieve en abstracte stromingen, op geen enkele kleur, vorm of stijl rust een vloek en vrouwelijke kunstenaars zijn volop vertegenwoordigd. Als de kunst al verandert, dan komt dat hooguit naar voren in zeer gedetailleerde tekeningen, schilderijen met extreem artificiële landschappen en foto's met een romantische sfeer van sociale vervreemding. Maar essentieel kun je dat niet noemen, laat staan crisisachtig. Wie de werkelijk aard van de crisis wil begrijpen, moet wellicht op een ander niveau gaan staan dan dat van de kunst zelf.

Laten we eens om ons heen kijken. De ruimte is groot, open maar onoverzichtelijk. Overal zijn op afgeschutte plaatsen producten uitgestald. Mensen slenteren er langs, elkaar en de waar terloops taxerend. Af en toe drinken ze een cappuccino op een van de inpandige terrassen, ontspannen, zorgeloos, want voor een paar uur bestaat de wereld van alledag niet meer. Even zijn ze ondergedoken in de vrije ruimte van de tijdloosheid.

Is dit een shoppingmall? Niet helemaal, al is alle waar te koop. Wel ziet de oplettende bezoeker dat sommige producten veel duurder zijn dan andere zonder dat daar een aanwijsbare reden voor is. Vaak zelfs lijken de duurdere objecten veel slordiger en met goedkopere materialen in elkaar te zijn gezet. Klaarblijkelijk gaat het hierbij om iets anders dan ambachtelijkheid en materiële kwaliteit en verbergen ze berichten die alleen ingewijden kunnen `lezen'.

Het doet aan designkleding denken. Daarbij moeten loshangende zomen en verknipte mouwen ook begrepen worden als codes voor een non-conventionele manier van denken. Maar het handelt hier niet om mode. Dit is kunst. Of is er tussen die twee toch niet zo'n groot verschil?

Nog maar pas op weg en we zitten al in het hart van de crisis. Want de vraag waar de kunstwereld momenteel het meest mee worstelt is of je mode, design, documentaire films en nieuwe fenomenen als videoclips en websites op één lijn kunt stellen met kunst. Sommigen zijn daar heel pertinent over: nee, want `kunst houdt zich niet bezig met functie, doelgroepen en smaak.' De kunstenaar creëert, zoals collega Janneke Wesseling recentelijk schreef in deze krant, `zijn eigen context, zijn eigen aanbod en de dieper liggende reden daarvoor ligt alleen bij hem.' Maar wie op een kunstbeurs rondloopt, vraagt zich af of dat wel helemaal klopt.

Waar bijvoorbeeld is die `eigen context' van de kunstenaar? Voornamelijk in zijn eigen atelier, vrees ik, want zodra het werk zijn deur uit gaat, treden factoren in werking waarover hij weinig of niets te zeggen heeft. Die factoren vatten we voor het gemak even samen als `de markt'. Deze markt berust op een complex samenspel van museumdirecteuren, rondreizende tentoonstellingsmakers, galeristen, grote collectioneurs, theoretici en kunstenaars die op een zeker moment door hen als tijdgevoelig zijn aangemerkt. Gezamenlijk vormen ze een sensorisch systeem dat continu aftast of iets al dan niet potentie heeft om nieuwe impulsen te geven en op ruime schaal aan te slaan. Wordt positief geoordeeld, dan gaat een tentoonstellingsmechanisme van start dat het werk in allerlei begrippenkaders en thema's perst: Posthuman, Apocalypse, of, zoals bij de tentoonstelling Shine in museum Boijmans van Beuningen, `wensdromen en toekomstvisioenen'. Iedere kunstenaar weet dat hij zichzelf buitenspel plaatst als hij weigert met de markt mee te gaan.

Dit alles laat onverlet dat een kunstenaar zijn eigen `diepere reden' heeft om een kunstwerk te maken. Dat eisen we zelfs van hem. Want die eigenheid garandeert het authentieke van zijn werk. Alleen staat een grote oplage die authenticiteit niet in de weg, ook niet als daarvoor een speciale groep wordt aangesproken, de minder bemiddelde kunstliefhebber bijvoorbeeld. Tal van kunstenaars maakten in de idealistische jaren zestig grafisch werk met dit doel. Daarnaast zijn er kunstenaars die sterk door het kunstdiscours bepaalde, conceptuele kunst maken. Zij richten zich bewust op de kleine kring die van dat discours op de hoogte is.

Ook de bewering dat kunst niets te maken heeft met functionaliteit is niet houdbaar. De kinderspeeltjes van Gerrit van Bakel, de stoelen van Donald Judd, het sanitair van Joep van Lieshout gelden wel degelijk als kunst, terwijl ze toch functioneel bedoeld zijn, en ook zo werken. Mogelijk hadden deze kunstenaars daarbij het kunstcriterium van mijn geachte collega voor ogen: `de status van het object in ruimtelijke zin aan de orde te stellen'. Maar een onbevooroordeelde blik op de stoelen, lampen en vazen van Jurgen Bey en Hella Jongerius volstaat om te weten dat deze vormgevers vanuit hetzelfde principe ontwerpen.

Over smaak kunnen we kort zijn: de kunst voert met de mode en het design een permanente wedstrijd in antismaak.

Dat ziet er slecht uit voor de kunst! Want als de oude criteria niet meer houdbaar zijn, waar kan ze dan nog haar uitzonderlijke status aan ontlenen? Aan de signatuur van de kunstenaar? Dit zeer verfijnde instrument van de markt dat zelfs waarde wist te verlenen aan een vetvlek van een door Joseph Beuys gegeten kroket, heeft de laatste tijd duchtig concurrentie gekregen van de brand. Erger nog, het hele proces van branding, kleding, horloges, auto's in een zorgvuldig ontworpen omgeving presenteren als voorwerpen die mysterieuze informatie bevatten, is direct afgekeken van de kunst.

De kunst heeft ons, na de religie, geleerd om een voorwerp of beeld te zien als een teken, iets wat een wereld van ideeën vertegenwoordigt. Die wereld ontvouwt zich pas als we onze eerste, directe ervaring van het kunstwerk omzetten in een taal die is getoonzet door wat we weten van de kunstgeschiedenis en theoretische en filosofische reflectie. Die omzetting maakt dat we de sculptuur van Maurizio Cattelan van Hitler als een knielend, devoot kijkend mannetje en de verhalen van Tracey Emin over haar abortus niet letterlijk of persoonlijk nemen, maar ze `lezen' als metaforen voor de menselijke conditie. Waarmee het, zoals bekend, nog altijd treurig is gesteld.

Branding, de meest mentale vorm van reclame, gaat een stap verder. Ze koppelt de voorwerpen die ze promoot aan beelden die inspelen op ons verlangen een mens van deze tijd te zijn. Waarbij ze tegelijk aangeeft hoe die tijd eruit ziet: barok, zen, decadent, vitalistisch, al naar gelang de wind waait. Die wind heet mode. Zij voorspelt en bepaalt hoe de toekomst er het komende seizoen uit zal zien. Ik denk dat hierin de echte crisis ligt van de kunst.

Hoe lang is het geleden dat de toekomst nog het domein was van de kunst? Dertig, veertig jaar misschien. Iemand die zich toen een modern kunstenaar noemde, bouwde aan de toekomst, dat wil zeggen aan een nieuwe betere wereld. Daar gingen we automatisch vanuit. Hij droeg denkbeelden en modellen aan die ons vooruitgangsgevoel stuurden en vorm gaven en daarbij mocht hij best blijk geven van de zwaarwichtigheid en dramatiek van het hier en nu. Maar kijk nu eens: beelden van een door verstedelijking dichtslibbende wereld, sociale vervreemding, moreel verval op de Biënnale van Sao Paulo. Oorlog, culturele botsingen en sociaal en politiek onrecht op de Documenta. Op deze laatste internationale tentoonstelling, die voor de kunst even belangrijk is als opiniepeilingen bij verkiezingspolitiek, was maar één utopisch wereldbeeld te zien: van de 82-jarige Nederlander Constant Nieuwenhuys. Het stemde nostalgisch: wie is nu nog tot zulk grootwerelds denken in staat?

In het boek Kunst in crisis geeft museumdirecteur Chris Dercon een verontrustend commentaar met een citaat uit het modieuze kunstblad Purple: `Alle problemen van de hedendaagse beeldende kunst vinden hun uiteindelijke formulering in de mode.' `Mode', schrijft hij, `en de aanverwante notie lifestyle vormen het representatiemodel bij uitstek van deze nieuwe eeuw want mode veronderstelt een permanente vernieuwing.'

Maar wat voor vernieuwing is dat als we, om deze te bevestigen, ons onophoudelijk een nieuwe kledingstijl, gsm en auto moeten aanmeten? De dictatuur van een economisch wereldbeeld waarin het sociale leven uitsluitend nog bestaat uit schijn.

Zo'n wereldbeeld heeft de kunst altijd verworpen. Niet de schijn, de onechtheid van de wereld interesseerde haar, maar het echte in de werkelijkheid, dat wat verborgen zit achter het oppervlak van de gezichten, de landschappen, de voorwerpen. Ze onderzocht ze met haar specifieke middelen, verf, kwast, steen en wat daar later allemaal bijkwam, zoals ze in de tweede helft van de twintigste eeuw die middelen zelf op hun illusionistische gehalte onderzocht. Daarom liet ze ons kijken naar tientallen schilderijen met allerlei nuances van wit of verfstreken, moesten we de textuur van roestig ijzer voelen, de klank van koperen vloerplaten horen, de geur van honing en vet ruiken. Ze geneerde zich niet voor haar stichtelijkheid, want ze wist zeker: een betere wereld ontstaat met een bewuster levend mens.

Die zekerheid van de kunst is weg, samen met haar zelfverzekerdheid. Want in echtheid is men nu zelfs in kunstkringen niet erg meer geïnteresseerd. Wat alle aandacht naar zich toetrekt is de wijze waarop de mode- en reclame-industrie, de media, de technologie en de aandelenmarkt de wereld ensceneren: als een gigantisch pretpark waarin alle illusies langs elkaar glijden, de illusie van onze eigen waarachtigheid incluis.

Je kunt de kunst niet verwijten dat ze daar geen adequaat antwoord op heeft, maar je kunt je wel afvragen hoe ze ermee omgaat. Dan zie je dat jonge kunstenaars er vaak voor kiezen om als een kameleon te integreren, bijvoorbeeld door zelf een brand te worden (KKEP), het danspubliek met beelden te entertainen (Geert Mul) of bestaande situaties na te bouwen met subtiele verschuivingen (Edwin Zwakman). Dit is onze wereld, zeggen zij, en wij zullen hierin moeten leven.

Dat is waar. Alleen, hoever kan de kunst gaan in haar acceptatie ervan.

Recentelijk liet Wim Michels, succesvol reclameman en oprichter van de Hallo academie voor `toegepaste creativiteit' zich daarover uit tijdens een discussie in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. ,,Kunst is vaak zo negatief'', zei hij. ,,Wij leren de mensen om `ja' te zeggen en positief te denken. Dat geeft glans aan de dingen en het maakt alles lichter.''

Het zal best, maar reclame is al zo'n goed poetsmiddel. Daar hoeft de kunst niets aan toe te voegen. Haar taak ligt in mijn ogen niet in het beamen van de werkelijkheid, maar in het openbreken ervan.

Daarvoor moeten eerst intern muren en schuttingen worden gesloopt. Om te beginnen de grootste blokkade, de criteria waarmee beoordeeld wordt wat kunst is en wat niet. Die kunsthistorische normen sluiten zoveel uit wat dynamisch op de wereld ingaat, dat wat overblijft een saaie, oneigentijdse boel lijkt. Laten we dat eens niet doen en zoveel ruimte maken dat ook een stoel, een videoclip of een documentaire film kunst kunnen zijn. We stellen dan dat de waarde ervan niet bepaald wordt door het medium en ook niet door een puur esthetische kwaliteit. Die visies zijn niet meer te handhaven. Wat telt is wat de maker ermee wil zeggen, of nog gewaagder, welke positie hij inneemt ten opzichte van de wereld om hem heen. Is dat een interessante, intelligente, baanbrekende positie? Hoe effectief gaat hij de dictatuur van de schijn te lijf?

Zo'n inhoudelijke, positionele opvatting van kunst heeft grote consequenties voor de markt. Want ze gaat radicaal voorbij aan het traditionele idee dat een esthetisch als juist beoordeeld beeld waardevrij is, een opvatting die onze hele beeldcultuur is gaan bepalen. Met als gevolg dat we ons bij een mooie persfoto niet meer afvragen of hij niet gemanipuleerd is en wat nu precies de informatieve of propagandistische aspecten ervan zijn. Er zijn geen waardevrije beelden. Niets wat ons denken en voelen uitmaakt staat los van wat mensen hebben uitgedacht. Daarom kan ook kunst niet los gezien worden van de context waarin ze functioneert, of dat nu een houseparty is of een museumzaal. Die context beïnvloedt haar betekenis. Net zomin staat kunst los van haar tijd. Kijk in de musea en je ziet dat zelfs de abstracte kunst, de kunst die de meeste aanspraak maakt op tijdloosheid, als tijdgevoelig valt te herkennen. De jaren vijftig of tachtig haal je er probleemloos uit.

Voor de musea, de galeries, de markt betekent dit dat ook zij positie zullen moeten innemen. Waar staan ze zelf ten opzichte van het werk? Wat voor context bieden ze en waarom? Vooral dat laatste, want in een galerie mosselen eten met Rirkrit Tiravanija mag dan voor het kunstdiscours belangrijk zijn, daarbuiten speelt het geen enkele rol. En die zwakte willen we nu juist uit de kunst bannen. Misschien vinden kunstenaars dan weer de moed om een heldenrol te vervullen: door op zoek te gaan naar wat het echte leven uitmaakt, hoe klein en onspectaculair het ook is.

Art Rotterdam. Wilhelminakade. T/m 3/3, 11-19 u. Entree €12. Inl. 010-2025007 of www.artrotterdam.com