Kunst en werkelijkheid I

In zijn Kellendonklezing (Boeken, 21.O2.03) houdt Bas Heijne een pleidooi voor de terugkeer van een bepaald soort realisme in de literatuur . `Mijn postmodernisme erkent wel degelijk het bestaan van de werkelijkheid, ongrijpbaar als die is, en verloochent haar niet langer, en ziet het als een opdracht van de kunst om zich er hartstochtelijk mee bezig te houden. [...] We moeten de werkelijkheid tegemoet treden als de bibberende gelovigen in aanwezigheid van een mysterie.' Hij zet zijn visie af tegen die van het literaire tijdschrift De Revisor, dat `pleitbezorger' zou zijn van de opvatting dat `kunst helemaal geen verhouding tot welke werkelijkheid dan ook hoeft aan te gaan.' Dit vraagt om een reactie.

Twee jaar geleden bracht de redactie van De Revisor een nummer uit waarin stelling werd genomen tegen de gedachte dat literatuur haar waarde zou ontlenen aan doeleinden die buiten haar liggen: literatuur als therapie; als onderdeel van een minderhedenbeleid; als middel om de moraal te bevorderen; als protest tegen de oorlog in Bosnië; als filosofie die het wereldraadsel ontsluit.

Het levert slechte literatuur op en zo mogelijk nog slechtere filosofie. Wat al deze literatuuropvattingen gemeen hebben is dat ze literatuur als middel zien en niet als een doel op zichzelf. De tekortkomingen van deze instrumentele literatuuropvattingen worden onmiddellijk duidelijk, wanneer men bedenkt dat er goede boeken geschreven zijn tegen de oorlog en goede boeken vóór de oorlog. Het waardeoordeel `Dit is een goed boek' is niet afhankelijk van enig doel waarvoor dat boek zich zou kunnen laten lenen. Literatuur heeft intrinsieke waarde. Wie daar blind voor is, leidt een armer leven.

Het eerste probleem met de opvatting van Heijne is dat ook hij vindt dat de kunst iets moet. Je kunt dan nog zulke mooie gedachten hebben over het mysterie van de wereld, het gaat om het manier waarop die worden vormgegeven. Dat en niets anders maakt ze tot kunst. American Psycho van Bret Easton Ellis had nooit de lof gekregen die Heijne het jubelend toezwaait als het niet was geschreven in een huiveringwekkend effectieve stijl. Iedereen kan gruwelen verzinnen, maar slechts weinigen kunnen ze zo opschrijven dat ze de lezer doen gruwen. Daar gaat het om en dat is het tweede en voornaamste probleem met Heijnes voordracht. Hij pleit ervoor dat de kunsten `een brug slaan tussen wat zich in onze hoofden afspeelt en daarbuiten', maar hij maakt niet duidelijk hoe dat zou moeten.

Zijn betoog is vooral conceptueel verward. Hij bekeert zich tot het postmodernisme, maar hij begint zijn verhaal met een modernistisch verslag van zijn eigen subjectieve belevingen met literatuur ergens tussen Badhoevedorp en Amsterdam. Hij verwijt de redactie van De Revisor dat aan haar literatuuropvatting een `materialistisch-esthetisch wereldbeeld' ten grondslag ligt en `een verlangen naar betekenisloze schoonheid', alsof er ook zoiets als `betekenisvolle schoonheid' zou bestaan; Heijne bedoelt waarschijnlijk `boodschapsloze schoonheid'. Het realisme wil hij afzweren, maar tegelijkertijd wil hij de werkelijkheid opzoeken, zodoende de woorden `realisme' en `werkelijkheid' van iedere betekenisinhoud berovend.

De Revisor is niet zozeer een pleitbezorger van literatuur die alle banden met de werkelijkheid heeft doorgesneden, als wel een tegenstander van diegenen die van opvatting zijn dat literatuur haar waarde volledig ontleent aan de mate waarin zij erin slaagt de werkelijkheid getrouw weer te geven, evenmin als De Revisor gecharmeerd zou zijn van diegenen die beweren dat literatuur haar waarde volledig ontleent aan de mate waarin zij erin slaagt de werkelijkheid te negeren, het proletariaat te mobiliseren, allochtonen te amuseren of gelovigen te doen bibberen. De Revisor is pleitbezorger van literatuur die, wat haar banden met de werkelijkheid ook zijn, goed is geschreven.