In gulden boeien

Deze week verschenen twee voortreffelijke edities van handschriften van Constantijn Huygens (1596-1687). In een reisjournaal presenteert hij zich als een ambitieuze jongeman, in zijn latere levensbeschrijving als een wijze vader, die nipt aan het digestief van een drukbezet bestaan.

Tweeëntachtig was Constantijn Huygens, en hij had nog negen levensjaren voor de boeg. De reputatie van de familie was inmiddels ruimschoots bevestigd. Hij had de wijsheid van zijn vader, Christiaan sr., overgedragen aan zijn eigen zonen, onder wie Christiaan jr., de ontdekker van de ring van Saturnus en het slingeruurwerk. De opvoeding van de kinderen was een spiegel van Constantijns eigen opleidingsjaren. Doel van die opvoeding was de `honnête homme': vaardig spreker en schrijver in verscheidene talen, kenner en beoefenaar van literatuur, muziek en beeldende kunst, waardige verschijning en charmante gesprekspartner. Kortom, de hoveling zoals Castiglione die in Il libro del Cortigiano beschreven had. Een man die naast de schone kunsten ook de lichamelijke oefeningen elegant beheerst. Die met wapens en paarden omgaat alsof het hem geen moeite kost, ja alsof hij nog veel beter zou kunnen als hij zijn best zou doen.

Dit levensideaal en de daarvoor vereiste ongerepte reputatie vormen de spil van het levensverhaal dat de bejaarde secretaris van de Oranjes en dichter in 1678 op schrift stelde. Niet voor het grote publiek en zijn eigen faam, maar voor zijn drie nog in leven zijnde zonen en hun zwager Philips Doublet, en voor de mannelijke nazaten die uit hen zouden voortkomen. `Indien het goed was zoals ik heb geleefd, heb ik jullie leren leven,' schreef Huygens in de slotregels van zijn autobiografie. `Indien niet, leer dan niet van mij.'

Torenspits

Het in het Latijn geschreven levensverhaal werd niet gedrukt, maar circuleerde in vijf handschriften. De doelgroep was geen lang leven beschoren; al in de achttiende eeuw stopte de lijn van mannelijke erfgenamen. In 1817 publiceerde Hofman Peerlkamp een van de manuscripten in boekvorm. Adriaan Loosjes vertaalde de tekst in dichtmaat, en daarmee was de autobiografie voor een algemeen publiek toegankelijk. Dat wil zeggen: hij was te lezen, maar er bleef veel te raden over.

De nu door Frans Blom bezorgde editie, waarop hij vorige week cum laude promoveerde, maakt een eind aan die cryptogrammatische onzekerheid. Zijn elegante prozavertaling maakt de tekst licht verteerbaar en zijn commentaar is uitputtend. Het is even schrikken bij de eerste aanblik; het commentaardeel is drie keer zo dik als de teksteditie. Maar bij nader inzien blijken die zeshonderd pagina's inzichtelijk en bruikbaar als naslagwerk. Wat zich dan openbaart is een schatkamer aan literaire, historische en cultuurhistorische kennis. Geen vraag blijft onbeantwoord.

Frans Blom zet het levensverhaal inhoudelijk naast vroegere teksten van Huygens. Een van die teksten is het Journaal van de reis naar Venetië, die Constantijn in 1620 op drieëntwintigjarige leeftijd in het spoor van de ambassadeur François van Aerssen maakte. Dit journaal is in het Frans geschreven, maar dankzij Blom is er nu een Nederlandse vertaling. Ook dit is, evenals Mijn leven, een tweetalige editie. Vergelijking van de twee teksten toont, zowel in stijl als in grondhouding, grote verschillen waar het om dezelfde gebeurtenis gaat. Kort door de bocht gesteld zijn die verschillen te herleiden tot `ontdekking' en `terugblik'. De drieëntwintigjarige drinkt de wereld in, de tweeëntachtigjarige nipt aan het digestief van een druk bezet leven. Een mooi, door Blom breed uitgemeten voorbeeld van interpretatieverschil is het verhaal van Huygens' beklimming van de spits van de munster in Straatsburg.

In het reisjournaal vertelt de jonge dichter dat de toren makkelijk te bestijgen is, `uitgezonderd ter hoogte van de spits, waar de trappen ophouden. Daarom durven velen er niet naartoe te gaan. De huidige koning van Bohemen had de nieuwsgierigheid om helemaal naar de top te klimmen, alwaar ik zijn kousenband aantrof, die hij daar ter herinnering ophing.' Terloops wordt hier gemeld dat ook de jonge Constantijn de spits tot in de top heeft beklommen. Bijna zestig jaar later waarschuwt de bejaarde vader zijn kinderen `voor het geval dat één der mijnen zich hier ooit in die duizelingwekkende kerktoren naar boven zal wagen ... Om dan die spits, die boven de slakkenhuizen angstaanjagend steil de hoogte in steekt, zonder enige omheining te beklimmen langs de buitenwand, dat is gekkenwerk...' Ik duizelde van hoogtevrees, meldt hij, `toen ik met de blik op de Straatsburger daken ver in de diepte de weg terug maakte.' En als hij na zijn diplomatieke bemiddeling bij het gezagsherstel van de Oranjes in het Franse Orange in 1665 nogmaals Straatsburg aandoet, waarschuwt hij de meereizende jongelui voor een herhaling van zijn avontuur.

Het reisjournaal is niet meer dan een minutieus bijgehouden dagboek, Mijn leven is een doorwrocht epos waarin de regels niet door het leven maar door de literaire traditie en de hoffelijke levensopvatting zijn bepaald. Huygens zette niet laag in. Met zijn keuze voor Latijnse dactylische hexameters negeerde hij het voorbeeld van Cats, die zijn Twee en Tachtig-jarig Leven in Nederlandstalige alexandrijnen had neergeschreven. Ook, aldus Blom, negeerde hij zijn eigen bezwaren tegen de als de pest verafschuwde dominantie van het Latijn, en evenzeer meed hij de moedertaal als het voor de hand liggende medium tussen hemzelf en zijn nazaten. Zijn versvorm was het metrum van de majestueuze epen van Homerus en Vergilius. `Heldenpoëzie zonder held,' noemde hij Mijn leven zelf.

Bril

Held zijn was ook niet Huygens' streven. Zijn levensverhaal toont een hoveling die zich te midden der Groten overeind moest zien te houden aan het hof, waar vriendschap een noodzakelijk middel tot overleven was. Hij was een ambtelijke slaaf die zijn werkzaam leven doorbracht in de `gulden boeien van het hof'; dichten deed hij in zijn `ledige uren'. Intussen liet hij geen eerzaam middel ongemoeid om hogerop te komen. De lobby voor zijn Engelse ridderslag in 1622 is daar een voorbeeld van. Met de Engelse titel kon hij mogelijk nog ambassadeur worden. Zo'n `qualité exterieur', schreef hij aan zijn ouders, is nu eenmaal nuttig voor het oordeel van de wereld, `zoals een blad aan de steel de verkoop van een goede peer bevordert.' En ook het gebruik van een bril voor bijzienden was façade-gedrag, want moest voorkomen dat hij mensen beledigde door ze niet te groeten.

Als een succesvol man vanuit het hovelingenstandpunt terugblikt op zijn leven, is de chronologische werkelijkheid secundair. In werkelijkheid bezocht Huygens in 1618 na Oxford eerst koning Jacobus I en ging hij pas daarna naar Cambridge. Maar in Mijn leven was compositie belangrijker dan feitelijkheid, dus manipuleerde hij het tijdsverloop. Door onmiddellijk na zijn verblijf in Oxford dat in Cambridge te beschrijven kon hij de twee universiteitssteden optimaal vergelijken. En door zijn luitspel voor de Engelse koning pas daarna te beschrijven, gaf hij dat als climax van zijn eerste reisverslag de volle mep.

Binnen de hoogstaande uitgangspunten van het levensverhaal paste ook geen volkskunst. In de passage over zijn bezoek aan Woodstock in 1618 schreef Huygens: `De oude volksverhalen over de bron van Rosamunda en het zogenaamde Daedalische labyrinth daar, lieten ons koud. Wie die onzin graag voor waarheid houden, misgunden we dat niet, maar wij vertrokken uit Oxford en deden kort daarop de kastelen aan van Windsor en Theobalds.' Deze verwerping van de folklore staat in contrast met wat de jonge Huygens in zijn Journaal van de reis naar Venetië over de hongerkunstenares Eva Vliegen in Moers, bisschop Hatto en zijn Muizentoren in Bingen en andere onhoffelijke attracties te berde bracht. Met de later als leugenbrok betrapte Eefje had hij een gesprek. Het verhaal over de bisschop die door muizen werd opgegeten leidt hij weliswaar in met `Ze zeggen dat', maar de sage wordt wel genoemd. In een reisdagboek stond de werkelijkheid dan ook boven de vorm.

Het mag duidelijk zijn: Bloms edities van Mijn leven en het Journaal van de reis naar Venetië bieden een wervelende blik op het leven en streven van een renaissance-man bij uitstek. Dichter, diplomatiek secretaris , hoveling, musicus en componist, bouwmeester van twee eigen huizen, sir Huggins en Heer van Zuilichem, Erasmusvereerder, vriend van Drebbel en Descartes, vertaler van de verzen van John Donne, grafschriftschrijver voor Willem de Zwijger, en wat al meer... Huygens was het allemaal. En elk van die aspecten wordt in Bloms vertalingen en commentaar met vaart en precisie belicht.

Constantijn Huygens: Mijn leven verteld aan mijn kinderen in twee boeken. Ingeleid, bezorgd, vertaald en van commentaar voorzien door Frans R.E. Blom. Prometheus/Bert Bakker, 2 dln., 228 en 622 blz. €60,–

Constantijn Huygens: Journaal van de reis naar Venetië. Vertaald en ingeleid door Frans R.E. Blom. Prometheus/Bert Bakker, 194 blz. €29,95