Hulpverleners, mijdt de politiek

Hulpverleners van het Rode Kruis wisten al in 1942 dat in Auschwitz gaskamers werden gebruikt. Maar ze zeiden niets. Uit angst dat ze de kampen niet meer in kwamen als ze wél wat zeiden. En ze dachten dat de nazi's toch wel doorgingen met de vernietiging van joden. Ze moesten neutraal blijven, vonden ze. Hun opdracht was: krijgsgevangenen helpen. `Dus hielden ze hun mond', schrijft David Rieff in A bed for the night. Humanitarianism in crisis, `tot hun eeuwige schande.'

Maar hoe moet het dan wél? Moeten hulpverleners partij kiezen, moeten ze politici oproepen tot ingrijpen? Eind jaren zestig waren er Franse artsen die vonden dat het Rode Kruis niets had geleerd van de holocaust, de organisatie weigerde zich uit te spreken over de oorlog in Biafra. De Fransen richtten hun eigen organisatie op, `Artsen zonder grenzen'. `Door te zwijgen', zei Bernard Kouchner, een van de oprichters, `worden wij medeplichtig aan systematische massamoord.'

David Rieff denkt dat de wereld `ongetwijfeld' beter is geworden door het werk van Artsen zonder grenzen. Maar de overwegingen voor de oprichting waren volgens hem `bij lange na niet zo moreel onbetwistbaar' als ze in die tijd leken: `Want het is onduidelijk of er in Biafra wel echt sprake was van genocide.' De televisie-camera's waren erbij en dat was nieuw. De onderliggende partij – christenen uit het noorden van Nigeria die hun eigen staat wilden – maakte daar handig gebruik van. Voor het publiek waren zij de onschuldige slachtoffers.

De Amerikaan David Rieff, journalist en auteur van onder meer Slaughterhouse: Bosnia and the failure of the West (1995), deed verslag van oorlogen in de Balkan, in Afrika en de Kaukasus. Hij noemt zichzelf `géén pacifist'. Hij koos partij. Hij vond dat het Westen militair moest ingrijpen in Bosnië en Rwanda en dat er zelfs protectoraten moesten worden gevormd. Het is niet moeilijk, vindt Rieff, om te kiezen tussen `gematigd imperialisme' en een wreed regime. Maar hulpverleners moeten die keuze niet maken. `Let humanitarianism be humanitarianism', schrijft hij in het laatste hoofdstuk. Laat hulpverleners mensenlevens redden, ook al moeten ze dan ook wel eens samenwerken met moordenaars en martelaars.

Mensenrechten

In een zorgvuldig opgebouwd betoog laat Rieff zien hoe hulpverleners van zichzelf mensenrechtenactivisten hebben gemaakt, en welke risico's ze daardoor lopen. Ze worden gebruikt door politici die, als het hun uitkomt, zeggen dat ze vooral op humanitaire gronden ingrijpen (zoals in Afghanistan) – of dat juist níet doen (Rwanda). Bijna niemand vraagt dan nog naar andere, minder menslievende overwegingen die van belang zijn voor een militaire interventie of het nalaten daarvan. Er zijn zelfs specialisten in hulpverlening, schrijft Rieff, die vinden dat activiteiten van organisaties altijd moeten bijdragen aan het verbeteren van mensenrechten of het beëindigen van een conflict. Als dat niet zo is, moeten die activiteiten worden gestaakt. Rieff noemt die opvatting wreed. `Een gewone Zimbabweaan of Angolees kan er weinig aan doen dat Robert Mugabe of José Eduardo dos Santos hulp uit het Westen misbruiken.'

Dilemma's

Maar Rieff wil hulpverleners niet te hard aanvallen. Ze bedoelen het zo goed. In conflictgebieden waar hij was, vond hij hen `de laatste rechtvaardige mensen'. Maar de organisaties moeten af van het idee dat het hún taak is om op te komen voor mensenrechten, dat zíj een eind moeten maken aan oorlogen en een rechtvaardiger wereld tot stand moeten brengen.

Rieff onderbouwt zijn ideeën vooral met uitspraken of artikelen van vooraanstaande hulpverleners, politici, en met citaten uit rapporten. Dat doet hij grondig en overtuigend, maar daarbij herhaalt hij zichzelf vaak. Het is jammer dat hij die ruimte in zijn boek – waarvan hij zelf vindt dat het gaat over `dilemma's bij humanitair optreden' – niet heeft gebruikt om te beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van de aanwezigheid van hulporganisaties in een gebied. Gevolgen waar hulpverleners zelf vaak nauwelijks over nadenken.

De meeste Albanezen in Kosovo wisten bijvoorbeeld vóór de NAVO-acties van 1999 heel goed hoe ze voor zichzelf moesten zorgen. Ze waren, onder de Servische overheersing, inventief geworden. Na de bombardementen werd er een dikke deken van hulpverlening over hen heengelegd. En opeens vonden ze dat ze recht hadden op hulp. Ook als ze al een kachel in huis hadden, vonden ze het vanzelfsprekend om er nog één op te halen bij een buitenlandse hulporganisatie in hun stad. En opeens werd er veel geklaagd. Het was winstgevend geworden je zo zielig mogelijk voor te doen. Er waren ook andere gevolgen. Albanese meisjes werden soms door hun ouders naar een ander dorp gestuurd omdat ze hadden gelachen naar buitenlandse militairen of hulpverleners. En waar kwam het risico van aids-besmetting opeens vandaan? Van de buitenlanders, denken de Kosovaren. Buitenlanders die zelf het liefst blijven denken dat ze worden gezien als mensenredders.

David Rieff: A Bed for the Night. Humanitarianism in Crisis. Simon & Schuster, 384 blz. €18,50 (pbk.)