Het kan alleen maar goed gaan

De komende oorlog tegen Irak past in een grote strategie van Amerika om overal `open samenlevingen' naar eigen snit te vestigen. Nu is het Midden-Oosten aan de beurt. Hoe in de Amerikaanse buitenlandse politiek economie en moraal hand in hand gaan.

Open grenzen maken kwetsbaar. Dat was voor de Verenigde Staten van Amerika de ontnuchterende les van 11 september 2001. Het megavertrouwen in een globalisering die niet alleen goed zou zijn voor de welvaart maar ook voor de vrede, was diep geschokt. Voor de hand lag daarom de politieke conclusie dat er een rem moest worden gezet op de ontwikkeling naar wereldwijde open markten en open grenzen. Maar niets daarvan. Uit de sindsdien geformuleerde, veelbesproken en zelden gelezen `Bush-doctrine' (`National Security Strategy of the United States of America, September 17th, 2002'), blijkt dat de regering in Washington juist tot een tegengestelde slotsom is gekomen. `Encouraging open societies', het aanmoedigen van open samenlevingen, is volgens dit document een hoofddoelstelling van de Amerikaanse buitenlandse politiek, naast de bestrijding van het terrorisme en het cultiveren van goede betrekkingen met bevriende naties.

Globalisering is niet minder een onaantastbaar Amerikaans geloofsartikel, maar méér nog dan tijdens de optimistische jaren negentig van de vorige eeuw. Het Amerika van George Bush junior kiest voor een hogere versnelling in zijn pogingen de grenzen van de open wereld op te schuiven. Behalve de economische moet ook de politieke globalisering, de bevordering van de democratie, een stevige stimulans krijgen. Na Oost-Europa, grote delen van Oost-Azië en Latijns Amerika is nu het Midden-Oosten aan de beurt als doelwit van een grand strategy. Onder het motto regime change moet de vestiging van democratie in Irak het begin worden van een zegenrijke ontwikkeling die deze hele regio een westers aanzien zal geven.

Is dit dromenland of de werkelijkheid?

Amerika, schrijft Andrew Bacevich in zijn studie American Empire, weet niet beter. Al sinds de negentiende eeuw wordt de diplomatie van dit land bepaald door de wens een imperium van global openness te vestigen. De opheffing van grenzen is goed voor handel, democratie én vrede. Worden kapitalistische belangen hier verpakt als schone idealen? Het klassieke verwijt van hypocrisie wordt door Amerikanen slecht begrepen. In hun ogen is een open wereld zowel goed voor materiële voordelen als voor morele waarden.

Die overtuiging is volgens Bacevich na de terreuraanslagen van 11 september onaangetast gebleven, omdat de American creed in het spel is. De buitenlandse politiek van de Verenigde Staten wordt van oudsher allereerst bepaald door binnenlandse ervaringen en waarden. Openheid, ondernemerschap, democratie en commerciële expansie: het zijn uitgangspunten die niet alleen de interne verhoudingen beheersen, maar ook de Amerikaanse diplomatie.

Andrew Bacevich, hoogleraar internationale betrekkingen aan de universiteit van Boston, is een bewonderaar van William Appleman Williams, die met zijn The Tragedy of American Diplomacy (1959) de bijbel schreef van de zogeheten `revisionistische' school. De Koude Oorlog werd volgens deze stroming in de geschiedschrijving veroorzaakt door een Amerikaanse politiek die imperialistisch was in haar agressieve zucht naar commerciële expansie. De Sovjet-Unie opereerde volgens Williams en zijn volgelingen louter defensief.

Is die opvatting niet achterhaald, sinds in 1990 met de ineenstorting van het sovjetrijk de Koude Oorlog ten einde kwam? Die conclusie zou kortzichtig zijn, zegt Bacevich, want met het verdwijnen van de vijand is het belangrijkste obstakel weggevallen dat de Amerikaanse expansiezucht in de weg stond. Sinds de jaren negentig van de twintigste eeuw kan Amerika ongeremder dan voorheen zijn wereldrijk van open samenlevingen uitbreiden. Als modelleerling van Appleman Williams schrijft Bacevich in American Empire dat de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten in de jaren negentig nog meer dan voorheen `gemilitariseerd' is geraakt. In Washington heeft men volgens hem elke terughoudendheid laten varen.

Maar de ijver van Bacevich om aan te tonen dat Amerika een op hol geslagen hypermacht is, wint het van zijn overtuigingskracht. Want uit zijn beschrijving van de militaire expedities die Amerika in de jaren negentig ondernam, blijkt dat deze almachtige reus leed aan aarzelingen en halfslachtigheid. Er werd in Washington vaak gedraald, men nam steeds langdurig de tijd om zoveel mogelijk steun bij andere naties te werven. Ook probeerde de Amerikaanse regering de risico's steeds zo klein mogelijk te houden, desnoods nam men genoegen met een halve overwinning.

Die terughoudendheid had tot gevolg dat geen van de Amerikaanse militaire operaties een onverdeeld succes werd. De Golfoorlog van 1991 draaide uit op een impasse die nu nog voortduurt. Men vond de risico's om door te stoten naar Bagdad te groot, zowel voor Amerikaanse soldaten als voor de stabiliteit van de regio. Twee jaar later volgde een compleet echec in Somalië, waar bij een zwaar vuurgevecht in de hoofdstad Mogadishu in oktober 1993 achttien Amerikaanse militairen omkwamen. Vernederd door de plaatselijke krijgsheer Aidid moesten de Amerikanen met de staart tussen de benen vluchten. Nadat de Amerikaanse regering vier jaar lang had geweigerd in de Joegoslavische burgeroorlog tussenbeide te komen (`We don't have a dog in this fight', aldus de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, James Baker), volgde in 1995 een korte bombardementscampagne. Die actie had succes doordat tegelijkertijd Kroatische strijdkrachten een offensief begonnen tegen Servische stellingen.

Amerikaanse soldaten bleven uit de buurt, in Bosnië evengoed als vier jaar later in Kosovo. Ook daar beperkte men zich in 1999 tot bombardementen vanuit de lucht en ook toen was er belangrijke steun van regionale hulptroepen, het Kosovaarse bevrijdingsleger UÇK. Uitvoerig citeert Bacevich uit de boeiende herinneringen van NAVO-commandant Wesley Clark (Waging Modern War, besproken in Boeken, 21.09.2001): een lange klaagzang van een in het nauw gedreven opperbevelhebber over de onwil van zijn superieuren om risico's te aanvaarden. Het Pentagon lag dwars door hem te verbieden Apache-gevechtshelikopters in te zetten tegen Servische troepen. De levens van de bemanningsleden mochten niet op het spel worden gezet: dat was de mentaliteit waarmee het volgens Bacevich zo `gemilitariseerde' Amerika oorlog voerde.

Is die houding veranderd na 11 september 2001?

Veel minder dan vaak wordt gedacht. Ook de militaire actie die eind dat jaar in Afghanistan tegen de Taliban en Al-Qaeda werd uitgevoerd, bestond vooral uit luchtaanvallen, ondersteund door niet meer dan een paar honderd man speciale commando-eenheden. De strijd op de grond liet men ook hier voeren door regionale gelegenheidsbondgenoten, de Noordelijke alliantie. Het resultaat was opnieuw een halve overwinning. Het Talibaan-bewind is verjaagd. Maar Bin Laden, die volgens de aankondiging van Bush dood of levend had moeten worden gegrepen, kan ook een jaar later nog via de internationale media zijn kameraden met opwekkende boodschappen aanmoedigen.

Het militaire optreden van de Verenigde Staten levert zodoende allerminst een indrukwekkende staat van dienst op. Heel veel staat in het teken van de vrees voor het maken van slachtoffers in eigen kring. Bacevich onderkent in zijn boek onvoldoende dat eisen van binnenlandse politiek, die in zijn ogen goeddeels de economische doelstellingen (open markten) van de Amerikaanse diplomatie bepalen, ook van belang zijn in de veiligheidspolitiek door strikte grenzen te stellen aan militair-strategische ambities. In de afweging van belangen en risico's is de bereidheid om Amerikaanse soldaten te laten sneuvelen gering, ook na 11 september 2001. Die terughoudendheid is aan de vooravond van een militaire interventie in Irak van grote betekenis. Want deze operatie moet op eigen kracht, zonder de assistentie van plaatselijke hulptroepen, worden uitgevoerd.

Dat roept meer vragen op. De Amerikanen hebben groot vertrouwen in hun smart weapons, maar wat gebeurt er als de quick fix uitblijft en Amerikaanse soldaten worden gedwongen de strijd uit te vechten in de straten van Bagdad? Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is men tweemaal in dat soort omstandigheden terecht gekomen: in het Vietnamese Hue (1968) en in het Somalische Mogadishu (1993). Over deze catastrofes wordt veiligheidshalve weinig gesproken. De kans dat het slagveld ditmaal herinneringen zal oproepen aan het Beiroet van twintig jaar geleden is groot. Begin jaren tachtig kwamen bij een bomaanslag in de Libanese hoofdstad meer dan tweehonderd Amerikaanse militairen om het leven. De toenmalige president Reagan haastte zich om de rest van zijn uitgezonden strijdkrachten naar huis te halen. Hoeveel zelfmoordcommando's heeft Saddam Hussein klaarstaan om de Satan een lesje te leren? En hoeveel lijkzakken moeten er in Washington arriveren om de publieke opinie in Amerika te laten omslaan?

Maar zelfs als er een snelle overwinning wordt behaald, wat dan? De Amerikaanse regering schijnt serieus te denken Irak safe for democracy te kunnen maken. Van belang is niet de vraag of dit plan imperialistisch is, maar of het realistisch is. Saddam Hussein is inmiddels bijna 25 jaar aan de macht, evenlang als Stalin dat was. De Iraakse samenleving, zeker de overheidsbureaucratie, is goeddeels `gesadammiseerd'. Enige ervaring met democratie ontbreekt in dit land, dat in de Koerden en shi'ieten minderheden heeft die staan te trappelen hun democratische zelfbeschikkingsrecht te gebruiken om zich af te splitsen. Ook buurlanden dreigen in dat geval te worden gedestabiliseerd. Een poging om in Irak een democratie te stichten is een lichtzinnig recept voor chaos. Om dat gevaar op afstand te houden, zal na een militaire overwinning waarschijnlijk een internationale bezetting nodig zijn die de inmiddels bijna veertig jaar durende VN-voogdij over Cyprus tot een peuleschil maakt. De legermacht die het karwei in Irak mag opknappen, zal een gewild doelwit van aanslagen worden.

Een interventie in Irak wordt wel gezien als een `preventieve oorlog'. Deze doelstelling om vijanden desnoods met een preventieve actie onschadelijk te maken, is een kernstuk van de Bush-doctrine. Veel minder belangstelling is er voor het even prominente streven om, uit welbegrepen eigenbelang, samenwerking te zoeken met bevriende mogendheden. Na 11 september is het ook op dat punt niet bij woorden gebleven. De regering-Bush nam bijna twee maanden de tijd om politieke steun te werven voor de militaire actie in Afghanistan. Sinds november vorig jaar probeert men in de Veiligheidsraad aanhang te winnen voor een ontwapening van Irak die desnoods met militair geweld moet worden afgedwongen. De nieuwe resolutie van een paar dagen geleden is het laatste bewijs van die wil tot samenwerking.

Dat enkele Europese landen, Duitsland en Frankrijk voorop, afkerig zijn om eventueel de daad bij het woord te voegen, is voor de Amerikanen een ernstige tegenslag. Voor de verklaring van dit geschil met de bondgenoten is het verschil in perspectief interessanter dan de vraag hoe het zover gekomen is. Sinds 11 september heeft Amerika de vastberaden overtuiging dat in de strijd met terroristen en hun potentiële handlangers afwachten een uitnodiging is tot zelfdestructie. Die houding wordt niet ingegeven door militaire megalomanie, maar is het gevolg van de angst dat bij een volgende aanslag chemische of bacteriologische wapens zullen worden gebruikt. Saddam Hussein is een potentiële leverancier van dit wapentuig en daarom vormt zijn regime in de ogen van de Amerikanen een bedreiging van hun nationale veiligheid.

Europa heeft geen 11 september gekend, de meeste Europeanen hopen stiekem dat het gevaar aan hun deur voorbij zal gaan. De meerderheid van de publieke opinie, die in Amerika een militaire actie steunt, is in Europa tegen. Het verschil in perceptie is volgens de Amerikaanse Europa-kenner Robert Kagan niet meer dan een symptoom van de kloof die Europa en Amerika scheidt. De oorzaken zitten veel dieper, zo schrijft hij in Balans van de macht, een uitwerking van zijn vorig jaar in Policy Review verschenen artikel `Power and Weakness'. De kwestie-Irak brengt volgens hem verschillen aan de oppervlakte die tijdens de Koude Oorlog werden toegedekt. Ook toen was de macht tussen Europa en Amerika zeer ongelijk verdeeld, maar de samenwerking tegen de gemeenschappelijke vijand verhinderde dat dit verschil leidde tot uiteenlopende perspectieven op de internationale verhoudingen. West-Europa was voor zijn verdediging afhankelijk van Amerika, maar er was lotsverbondenheid doordat de Atlantische partners in gelijke mate blootstonden aan de nucleaire dreiging van de Sovjet-Unie. Die saamhorigheid is verdwenen en de afgelopen tien jaar is steeds duidelijker geworden dat Amerika en Europa worden gescheiden door een kloof van ongelijk verdeelde macht die leidt tot uiteenlopende opvattingen over de vraag hoe de internationale politiek functioneert en moet functioneren.

Doordat de Amerikanen militair superieur zijn, is hun vertrouwen in het gebruik van de harde vuist veel groter dan bij andere naties het geval is. De Europese Unie is in economisch opzicht ongeveer even sterk, maar blijft door onderlinge verdeeldheid in militair opzicht machteloos. Bovendien hebben de Europeanen in de twintigste eeuw meer dan hun portie aan oorlogsgeweld op eigen bodem te verwerken gehad. Oorlog voorkomen is vooral voor de Duitsers, maar niet voor hen alleen, een richtsnoer geworden dat samengaat met afkeer van militaire macht. Europa praktiseert sinds een halve eeuw in de onderlinge betrekkingen een samenwerking die in de geschiedenis van het oude continent uniek is.

Beschaafde omgangsvormen worden niet alleen op Europees, maar ook op mondiaal niveau gezien als het aangewezen instrument om problemen te beheersen. Diplomatie is een geloofsartikel geworden dat in de relatie tot Amerika wordt gebruikt om Goliath te temmen. Frankrijk werpt zich op als de tolk van een diplomatieke oplossing die de Amerikanen van gewapende actie moet afhouden.

Kagan geeft in Balans van de macht een treffende analyse van de transatlantische kloof, maar stoot nog niet diep genoeg door. De situatie van dit moment is ernstiger dan hij beschrijft. Sinds 11 september groeit in Europa het gevoel dat het almachtige Amerika is losgeslagen en een vijand zoekt om zijn gram te halen. De Verenigde Staten worden niet alleen als groot en sterk gezien, maar ook als agressief en gevaarlijk. In Amerika heerst de angst voor terreuraanslagen, in Europa de vrees voor grootschalig Amerikaans geweld. Een dwaallicht als Chirac maakt van die stemming gebruik om zijn geliefde rol van anti-Amerikaanse prima donna te spelen.

Met zijn onbehouwen uithalen (hij lijkt wat dat betreft op zijn vijand Donald Rumsfeld) verscherpt deze kortzichtige leidsman de Europese tegenstellingen die in het boek van Kagan veel te weinig aandacht krijgen. Chirac schaadt bovendien Europese belangen. Door als leider de publieke opinie te volgen, toont hij zich blind voor een politiek feit van levensgrote betekenis: Europa heeft Amerika veel meer nodig dan Amerika Europa nodig heeft. Voor de Verenigde Staten kan Europa een secondant zijn in de strijd tegen terrorisme en massavernietigingswapens, voor de Europeanen is Amerika onmisbaar om de stabiliteit op hun continent te bewaken. De Amerikaanse interventies in Bosnië en Kosovo hebben bewezen dat de Europese afhankelijkheid van de Verenigde Staten na de Koude Oorlog niet is afgenomen. Europa is niet in staat het eigen huis op orde te houden. Als een groot deel van Europa weigert Groot-Brittannië te volgen en geen politieke steun geeft aan een militaire actie tegen Saddam Hussein, ontstaat het gevaar dat bij de volgende Europese veenbrand bekende woorden in Washington zullen opklinken: `We don't have a dog in this fight'. De belangen van het Europese continent blijken bij eilandbewoner Blair in betere handen te zijn dan bij de leiders van Frankrijk en Duitsland.

President Bush blijft ondanks zijn langdurige pogingen een coalitie te vormen bij veel bondgenoten impopulair, maar heeft inmiddels behalve de macht ook de politiek-diplomatieke logica aan zijn kant. De op 8 november vorig jaar in de Veiligheidsraad aangenomen resolutie 1441 eist van Irak onmiddellijke, onvoorwaardelijke en actieve medewerking bij de ontmanteling van zijn massavernietigingswapens. Hoofdinspecteur Blix heeft inmiddels tweemaal vastgesteld dat Irak niet aan deze eis voldoet. Als de verwachting uitkomt dat die constatering in de komende één à twee weken voor de derde keer zal worden herhaald, ligt de vraag voor de hand: moet er nog een vierde, vijfde, etc. maal volgen?

De Amerikaanse regering is toe aan de conclusie dat nog langer afwachten grotere gevaren oplevert dan uitvoering geven aan de ernstige consequenties die resolutie 1441 in het vooruitzicht stelt. Een gewapende actie staat voor de deur, met of zonder steun voor een nieuwe resolutie. De Amerikaanse pogingen om samen te werken met andere naties houden op als permanente passiviteit de prijs is die voor deze coalitievorming moet worden betaald. Het best denkbare militair-politieke scenario bestaat uit een korte interventie, gevolgd door de installatie van een `overgangsregime' dat is samengesteld uit Iraakse kolonels die politiek niet al te besmet zijn en de bereidheid hebben resolutie 1441 uit te voeren. Want democratie in Irak, dat is voorlopig iets voor dromenland.

Andrew J. Bacevich: American Empire. The Realities and Consequences of U.S. Diplomacy. Harvard University Press, 302 blz. €41,50

Robert Kagan: Balans van de macht. De kloof tussen de Verenigde Staten en Europa. De Bezige Bij, 127 blz. €13,50

National Security Strategy of the United States of America. September 17th, 2002: http://www.whitehouse.gov/nsc/nssall.html