Het geluk van Auschwitz

Eigenlijk gaan alle boeken van Imre Kertész over Auschwitz. `Onbepaald door het lot', is zijn enige boek waar af en toe wat te lachen valt.

Imre Kertész (1929) vertaler, schrijver, Hongaar, Nobelprijswinnaar, kampoverlevende, vat zijn identiteit samen met een beeld, een schrikbeeld, dat hij waarnam toen hij als jongetje een zomer naar zijn oom en tante werd gestuurd, ergens op het Hongaarse platteland. Op een ochtend loopt hij de slaapkamer van zijn oom en tante binnen, zoals jongetjes dat doen die nog niet weten dat slaapkamers soms beter niet betreden kunnen worden. En daar ziet hij een kale vrouw in een rode ochtendjas voor de spiegel zitten. Een vrouw in wie hij niet meteen zijn tante herkent, want die kent hij als een dame met een flinke dos roodbruin haar, maar dan, na enkele seconden van verbijstering en ontzetting, wordt hem duidelijk dat die kale vrouw in de rode ochtendjas wel degelijk zijn tante moet zijn, en zwijgend verlaat hij de kamer, in de hoop dat ze hem niet heeft opgemerkt, omdat hij begrijpt dat hij haar heeft betrapt op een schandelijk geheim.

Vanaf dat moment leeft hij in een wereld van ontzetting en geheimen en zijn tante associeert hij dan weer met een lijk, dan weer met de hoer van Babylon. Waaruit blijkt dat de jonge Imre al beschikte over een belangrijke eigenschap voor schrijvers, het vermogen om zaken met elkaar te verbinden die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, want wie had ooit gedacht dat de hoer van Babylon kaalhoofdig zou zijn?

Later legt zijn vader hem uit dat sommige joodse vrouwen om religieuze redenen hun hoofd kaalscheren en een pruik dragen als ze zich onder de mensen begeven.

Als Kertész op een gegeven moment ontdekt dat ook hij een jood is, of beter gezegd moet zijn, schrijft hij dat hij zichzelf zo ziet: als een kaalhoofdige vrouw in een rode ochtendjas voor de spiegel. Niets kan zijn identiteit beter samenvatten en symboliseren.

Dat is op zijn minst opmerkelijk, al was het maar omdat, zo blijkt uit zijn boeken, het leven van Kertész hem ruimschoots heeft bedeeld met beelden, gebeurtenissen en ervaringen die die identiteit van hem beter, pregnanter, zouden kunnen illustreren. Denk je.

Waarom zou je je identiteit, dat rare, vaak ook overschatte verschijnsel dat zich beweegt tussen de opvattingen en ideeën die je over jezelf koestert en de opvattingen en ideeën die anderen over jou erop na houden, waarom zou je die identiteit ophangen aan zo'n merkwaardig, bijna banaal symbool?

Kertész beschrijft zichzelf als iets dat hem vreemd is, als iets dat hem niet vreemder zou kunnen zijn, als het allervreemdste, een schandelijk geheim dat dan weer lijk is, dan weer hoer van Babylon, en dat bovendien nog, niet onbelangrijk, een ander geslacht heeft dan hij. Maar ook als iets dat kennelijk door hemzelf bekeken kan worden, zij het niet zonder afschuw. Een obsceniteit, noemt hij die kaalhoofdige tante voor de spiegel, maar als die tante zijn situatie, zijn identiteit symboliseert, dan houdt dat in dat ook hij dat is.

Ik is niet alleen een ander, dat natuurlijk ook, dat steeds weer, maar de ander is een kaalhoofdige tante in een rode ochtendjas, een obsceniteit, die de kijker schuldig maakt, omdat de kijker begrijpt dat hij iets ziet wat nooit had mogen bestaan.

Als ik het goed begrijp is het dat wat Kertész zegt – hij was iemand die niet mag bestaan, en dat is wat hij moet blijven, dat is wat hij moet zijn, wat hij niet kan ophouden te zijn: iemand die niet mag bestaan. Hoewel de omstandigheden zich hebben gewijzigd. Een Nobelprijswinnaar is iemand die juist bij uitstek mag bestaan, nog iets meer en heviger dan anderen zou je kunnen zeggen.

Maar die gewijzigde omstandigheden doen er niet toe. Wat er wel toe doet is de vraag of de gedachten, de boeken, de verhalen van iemand die niet mag bestaan wel zouden mogen bestaan. Kertész geeft daarop geen eenduidig antwoord, hij lijkt het niet helemaal uit te sluiten, er is een klein kansje dat die verhalen en boeken wel het recht hebben om te leven.

Zijn identiteit bestaat tenslotte niet alleen uit de kale tante voor de spiegel, maar ook uit de jongen die vol ontzetting naar de obsceniteit kijkt die hij ongewild, nietsvermoedend, op een vroege ochtend in de zomer onder ogen heeft gekregen.

Als Kertész beweert dat zijn werk zijn redding is, en dat beweert hij herhaaldelijk, moeten we hem geloven, hoewel hij eraan toevoegt dat die redding alleen bestaat, alleen mag bestaan, opdat hij des te smadelijker ten onder zal gaan. Want dat werk is de vrucht van het kijken naar de obsceniteit die hij is. Een vlucht, noemt hij zijn werk, en daarmee geeft hij aan dat kijken, onder ogen zien, ook al vluchten kan zijn.

Hij schrijft dat zijn werk in wezen niets anders is dan graven, dan het uitdiepen en voltooien van een graf dat anderen zijn begonnen te delven in de wolken, in de wind, in het niets. Een regel waarin de echo van de dichter Paul Celan duidelijk te horen is. (,,Es war Erde in ihnen, und sie gruben.'') Ook Celan is iemand voor wie schrijven graven is.

Kertész wil een leesbaar graf achterlaten, en ik moet zeggen voor een graf, maar niet alleen voor een graf, is het zeer goed leesbaar, misschien geen vakantieliteratuur, maar daarvan is er ook al zoveel, waarschijnlijk zelfs genoeg.

In Is dit een mens, zijn boek over zijn tijd in Auschwitz, schrijft Primo Levi: ,,Ik ben ervan overtuigd dat geen enkele menselijke ervaring zinloos of te verwaarlozen is, en bovendien dat de bijzondere wereld die ik hier beschrijf fundamentele, zij het niet altijd positieve waarden onthult.''

Wat mij betreft had achter het woordje waarden waarheden mogen staan.

De wereld van het kamp valt niet buiten de geschiedenis, want wat buiten de geschiedenis valt, valt in handen van God, en omdat wij God geen verklaring vinden, accepteren wij dat er zoiets bestaat als continuïteit, waardoor wij, achteraf in ieder geval, gebeurtenissen proberen te verklaren. Het een volgde op het ander, achteraf gezien altijd onvermijdelijk, als een lawine stort de geschiedenis zich naar beneden.

Een samenleving, niet zo verschrikkelijk verschillend van die waarin wij nu leven, creëert een systeem dat Levi een reusachtig biologisch en sociaal experiment noemt.

Dat experiment wordt na een paar jaar beëindigd, na het behalen van indrukwekkende resultaten, en daarna gaat de samenleving weer verder. Maar het kan niet anders dan dat bij dat reusachtige biologische en sociale experiment wetten en systemen aan het licht zijn gekomen die iets zeggen over de samenleving die dat experiment heeft bedacht, en die daarna rustig weer verder wandelde over het pad der geschiedenis, als een vreedzame en tamelijk ideale samenleving. De boeken van bijvoorbeeld Levi en Kertész over dat experiment onthullen fundamentele waarheden over de systemen waarin wij functioneren, en zo moeten ze, meen ik, ook worden gelezen.

Kertész schrijft: ,,Alleen wat niet bestaat of nooit bestaan heeft kan niet verklaard worden. (...) Auschwitz heeft wél bestaan, ja bestaat nog steeds, zodat het ook verklaard kan worden; het zou juist onverklaarbaar zijn geweest als Auschwitz niet had bestaan, als Auschwitz niet was ontstaan, als de wereldtoestand geen feit had voortgebracht dat we Auschwitz noemen, (...) Auschwitz hing immers al heel lang wie weet hoe lang al? – in de lucht, misschien al eeuwen, als een donkere door de stralen van talloze wandaden gerijpte vrucht die wachtte op het moment dat hij op het hoofd van de mensen kon neerploffen; per slot van rekening: wat bestaat bestaat noodzakelijkerwijs, anders zou het niet bestaan.''

Noodzakelijkerwijs is in dit verband een gewaagde term en zou makkelijk verkeerd begrepen kunnen worden. Het ruikt naar het goede, het onvermijdelijke, het bovenmenselijke, een noodzakelijke ingreep, vervelend maar het moest gebeuren.

Het begrip kwaad is een mystiek, een religieus begrip, de herkomst ervan is net zo onduidelijk als de herkomst van God, en daarom verklaart het niets. Wie het kwaad als categorie erkent, maakt van dat kwaad een soort van flinke hagelbui. Je kunt je ertegen wapenen door een paraplu op te steken, je kunt misschien naar de wolken wijzen en zeggen, daar zit het. Maar voor de rest voltrekt het zich buiten ons om, het onttrekt zich aan wat er verder gebeurt op deze wereld. Een hagelbui is geen geschiedenis van de mens, hooguit achtergrond. Waarmee ik niet wil zeggen dat er geen daden bestaan die kwaad genoemd kunnen worden, die immoreel en afkeurenswaardig zijn. Maar wie het daarbij laat is een mysticus die de genade van het goede accepteert, en dus ook de straf van het kwaad.

Kertész laat ook wel iets uit de lucht vallen, niet als een deux ex machina, wat het kwaad als categorie per definitie is, maar als iets wat al eeuwen lag te rijpen als de vrucht van talloze wandaden. Auschwitz was dus geen tijdelijke, eigenlijk onbegrijpelijke, interruptie van een verder toch tamelijk vreedzaam programma, het was dat waar wij met open ogen op zijn afgestormd. Auschwitz staat dus niet buiten maar midden in de geschiedenis, zij (hij? het?) is geen ontsporing van de geschiedenis, maar een onvermijdelijk station op grond van alle kleine wandaden die eraan voorafgingen.

En dat betekent naar alle waarschijnlijkheid dat er meer Auschwitzen in de lucht hangen, klaar om op onze hoofden uiteen te spatten.

Voorbereiden kun je je niet, je kunt je waarschijnlijk makkelijker voorbereiden op de dood, Auschwitz is meer dan dood alleen, maar in bijvoorbeeld het werk van Levi en dat van Kertész kun je iets leren, over jezelf, over de macht die zoals Kertész schrijft een ,,ordinair, laaghartig, moorddadig, stompzinnig, schijnheilig besluit [is] dat op het toppunt van zijn geldigheid hoogstens op organisatievermogen wijst'', over functioneren in een reusachtig sociaal en biologisch experiment, niet alleen als slachtoffer, maar ook als dader, en de grijze laag die zich daar tussenin bevindt.

Het belangrijkste, waarschijnlijk ook het beste boek van Kertész is Onbepaald door het lot, al zijn andere boeken cirkelen daaromheen, zijn eigenlijk commentaren op en verklaringen bij dat ene werk. En hoe verder zijn andere boeken zich ook van Onbepaald door het lot verwijderen, hoe machtelozer ze worden.

Onbepaald door het lot is vergeleken met Levi's Is dit een mens. Begrijpelijk, beide boeken beschrijven het leven in een kamp. Levi gaat meer te werk als een socioloog, een wetenschapper die helaas zelf moest deelnemen aan dat gruwelijke experiment, maar die toch zijn objectiviteit probeert te behouden, voorzover dat uiteraard mogelijk en wenselijk is op zo'n plek.

Levi probeert het experiment achteraf niet alleen te duiden, te doorzien, maar hij doet bijvoorbeeld ook een poging de verschillende vormen van overleven in te delen, welke aanleg, welke karaktereigenschappen je geschikter maken om te overleven en welke juist nadelig zijn. Hij bestudeert de kampbewoner alsof het een nieuw soort mens is, een stam die nog niet ontdekt was in de binnenlanden van Afrika en die nu in kaart moet worden gebracht.

Je zou kunnen zeggen dat het utopische experiment inderdaad heeft geprobeerd een nieuw soort mens te creëren, de kampbewoner. Je zou ook kunnen zeggen dat er altijd al een kampbewoner in de mens huisde, maar dat, tot dan, de omstandigheden niet van dien aard waren dat de mens aanspraak moest maken op de kampbewoner in hem.

In Levi's boek weet de hoofdpersoon waar hij heengaat als hij op transport gaat. Hij is ook ouder dan Kertész, hij maakt zich weinig illusies, sterker nog, hij beschrijft hoe de mensen in het doorgangskamp in Italië de avond voor hun vertrek afscheid nemen van het leven.

De hoofdpersoon in Onbepaald door het lot heeft geen idee waar hij heengaat, Auschwitz doet hem, als hij daar de eerste dag is, ook niet denken aan een gigantisch experiment, maar eerder, even, aan een studentengrap. Een wreedheid ziet hij, een hoeveelheid aan regels, die gespeend lijken te zijn van zelfs maar de geringste logica. Zoiets moet wel een grap zijn. Met wereldse begrippen als winstmaximalisatie kom je daar niet ver.

Het nazisme was, en wilde dat ook zijn, een antwoord op het kapitalisme. De maximalisatie van lijden is vanuit die filosofie bekeken wellicht een gepaste straf voor hen die symbool zijn voor de maximalisatie van winst.

Tegelijkertijd is Levi optimischer dan Kertész, althans hij begint optimistischer aan zijn reis. Hij is opgepakt als lid van een verzetsgroep, hij heeft het over zijn volk, hoewel hij geen religieuze jood was. Zijn jeugd in Italië komt nauwelijks ter sprake, maar als Levi spreekt over zijn familie, zijn pre-Auschwitz-leven, dan heeft hij daar niets dan goeds over te zeggen. Hijzelf komt naar voren als een verlegen, gevoelige, ietwat romantische Italiaan, toevallig van joodse afkomst. Iemand die graag op goede voet met de mensen staat. Voor hem was de wereld vóór het kamp geen onherbergzame plek.

Heel anders is het met Kertész, Kertész was al gemaltraiteerd lang voor Auschwitz begon. Zijn hel begon niet in het kamp, maar daarvoor. Daardoor is hij regelmatig kwaadaardiger dan Levi in zijn beschrijvingen.

Hij laat zijn boek ook niet beginnen met zijn arrestatie, een raar woord in dit verband, je kunt beter zeggen met het moment waarop het oordeel wordt uitgevoerd. Kertész begint met een familiescène in Boedapest. De vader is opgeroepen voor een werkkamp, en familieleden en vrienden komen afscheid nemen van de man. De jonge Kertész huilt, maar meer uit plichtsbesef en vermoeidheid dan werkelijke ontoering, en aan het eind van de dag, als het afscheid achter de rug is, denkt de jongen, die in het boek overigens Györgi Köves heet, dankzij deze familiebijeenkomst gaat de stakker tenminste met mooie herinneringen naar het kamp.

Ik moet daar wel om lachen. Eigenlijk gaan alle boeken van Kertész over Auschwitz, maar het boek dat daar het meest direct over gaat, is zijn enige boek waar af en toe wat te lachen valt.

Kertész valt buiten de mensheid lang voor hij de wereld van het kamp betreedt. In zijn vader ziet hij niet veel anders dan een stakker, zijn moeder is nog iets erger dan zijn stiefmoeder, zijn ouders zijn gescheiden, maar ook met zijn stiefmoeder heeft hij niet veel op. Het jongensinternaat waar hij heen wordt gestuurd bestaat bij de gratie van onderdrukking, aanpassing en collaboratie.

Hij bekijkt de wereld als kind al met de distantie van de Einzelgänger. Zijn beschrijvingen van de gevangenen in de trein naar Auschwitz zijn in al hun treurnis vaak hilarisch. Juist wegens die distantie, en de scherpte en meedogenloosheid die vaak met distantie gepaard gaan, en een zekere kwaadaardigheid die eigen is aan het kind dat tot de conclusie komt dat de wereld een hel is, lang voor hij zijn eerste SS'er ontmoet.

Alleen al daarom is er in Onbepaald door het lot zelfs voor degene die behoorlijk wat kampliteratuur (om dat afgrijselijke woord maar eens te gebruiken en in één moeite door af te wijzen) heeft geconsumeerd veel nieuws te vinden.

Zo beschrijft Kertész zijn aankomst in Auschwitz: ,,Het was warm weer. Ik kon nu ook een beetje om me heen kijken en erachter komen waar we eigenlijk waren. Ik zag een fraai stationnetje. Onder onze zolen knerpte het op dergelijke plaatsen meestal aanwezige steengruis, wat verderop zag ik een smal grasveld met gele bloemen en een eindeloos lang schijnende, smetteloos witte asfaltweg. Ik ontdekte ook dat die weg door een gelijkmatig gebogen rij van palen was afgescheiden van het onafzienbare terrein daarachter, en dat tussen die palen metaalachtig glanzend prikkeldraad was gespannen. Het was niet moeilijk om te raden wie daar woonden, natuurlijk de gevangenen. Pas nu misschien omdat ik daarvóór geen tijd voor zoiets had gehad raakte ik in hen geïnteresseerd en vroeg ik me af wat ze hadden misdaan.''

En als hij door de selectie is gekomen, en zich een aangenaam, ja bijna triomfantelijk gevoel van hem meester maakt dat hij bij de goede groep is terechtgekomen, observeert hij de rest van de selectie. Hij heeft geen idee wat er met de geselecteerden gebeurt, maar het is hem duidelijk dat je bij de sterken en de gezonden moet horen en niet bij de ouden en de zwakken.

Aangezien de wereld al een hel was, is hij in staat deze hel, dan nog wel, met een zekere vanzelfsprekendheid te aanvaarden. Hij bekijkt zijn medegevangenen zelfs door de ogen van de arts die selecteert: ,,Nu (...) begreep ik hoevelen van hen door hun leeftijd of om andere redenen onbruikbaar waren. De een was te mager, de ander te dik. Een van de mannen, die voortdurend knipoogde en met zijn mond en neus trok waardoor hij veel weg had van een konijn dat aan een wortel ruikt, maakte op mij de indruk van een zenuwpatiënt.''

De werkelijke aard van het kamp waarvan Levi zich al bewust probeerde te maken toen hij in de trein zat, dringt pas langzaam tot Kertész door.

Zijn eerste taak is namelijk een goede gevangene worden. Een taak waarvan hij zich met enthousiasme kwijt. Ook Levi betrapt zich en anderen op die wens, en begrijpt die wens ook, maar tegelijkertijd ziet hij in dat verlangen al de nederlaag, de ontmenselijking.

Het einde van beide boeken kan niet verschillender zijn. Waar Levi eindigt met de wens een paar gevangenen die het net als hij overleefd hebben nog eens terug te zien, daar eindigt Kertész met een litanie tegen twee kennissen van zijn vader in Boedapest. Hij verklaart dat hij niet kan aanvaarden alleen maar onschuldig te zijn geweest, het slachtoffer van omstandigheden. Hij zegt dat als het lot bestaat er geen vrijheid is, maar als vrijheid bestaat je zelf je lot bent.

Mij schijnt dat dat maar ten dele waar is, omdat een individu vrijwel nooit volledig verantwoordelijk is voor de omstandigheden waarin hij verkeert, en omdat die omstandigheden zijn vrijheid kunnen minimaliseren. Kertész moet natuurlijk de vrijheid groter voorstellen om althans in dit boek de illusie te kunnen koesteren dan hij meer was dan speelbal van de geschiedenis.

Maar Kertész heeft gelijk als hij berekent hoeveel tijd de selectie kostte, misschien wel vijftig minuten om duizend mensen te selecteren. Drie seconden per mens, en dat is een schatting die aan de ruime kant is.

En stel nu, zegt hij, dat je midden in de rij staat, dat je een minuut of twintig moet wachten tot je geselecteerd wordt. Elke minuut duurt zestig seconden, ook daar, en al die seconden sta je daar, schuif je langzaam naar voren.

Die dingen zijn niet alleen gekomen, zegt Kertész, wij zijn ook gegaan.

De mens, althans de mens die wij zijn, de huidige mens is gemaakt, afgericht, om niet alleen een goede gevangene te willen zijn, maar ook iemand die goed in de rij kan staan. Die netjes zijn beurt afwacht, geen problemen wil veroorzaken. Wetend ook, intuïtief aanvoelend, dat dat de enige kleine hoop is om te overleven.

En dan besluit Kertész met het geluk, niet het geluk van de bevrijding, ga weg, de zeldzame momenten van geluk die hij nog voelde bij de schoorstenen van Auschwitz. Het geluk van Auschwitz.

Daarna verdwijnt dat geluk, oh ironie, geruisloos uit zijn oeuvre. Want pas daarna, in de wereld na het experiment, dringt zich aan hem een besef op waar geen plaats voor was in het kamp, omdat dat besef haaks staat op de wens om te overleven, op dat eigenlijk moeilijk te verklaren verlangen dat je zelfs in een vernietigingskamp nog een paar uur door wilt ademen.

Dan, na het kamp, na zijn bevrijding, wordt hij de schijver die het graf uitdiept dat anderen voor hem zijn begonnen te graven.

Dan blijkt dat het fraaie stationnetje waarop hij eens aankwam, meer nog als een kind dan volwassen, zijn bewustzijn heeft vergiftigd, dat bewustzijn ziek heeft gemaakt. Althans dat zijn de woorden die zijn vrouw gebruikt in zijn boek Kaddisj voor een niet geboren kind en die ze als een van de redenen noemt waarom ze niet meer met hem wil leven.

Dat boek, Kaddisj, is een gebed, een psalm, en net als Celans mooie gedicht `Psalm', is het gebed gericht tot Niemand. ,,Gelobt seist du, Niemand'', schrijft Celan.

Kertész richt zich in dit boek tot zijn vrouw die niet meer zijn vrouw is. Je zou kunnen zeggen dat zij een vreemde voor hem is geworden, een Niemand, tot wie hij spreekt nu hij door de stad sluipt als een schurftige wezel die men vergeten heeft uit te roeien.

En in dat boek, in die psalm, komt hij tot een definitie van schrijven. Schrijven is het leven in twijfel trekken, en het leven wordt alleen door hen in twijfel getrokken die er niets mee weten aan te vangen. Wie geluksmomenten in Auschwitz heeft gekend zal met het leven daarna niets weten aan te vangen, en wie geen geluksmomenten daar heeft gekend, heeft het kamp waarschijnlijk door de schoorsteen verlaten.

En toch maakt Kertész' definitie van schrijven zich los van het kamp.

De ware aard van het schrijven is misschien wel onder alle omstandigheden een graf graven dat anderen voor je begonnen zijn te delven.

In een ontroerende passage laat hij nog eenmaal zijn vrouw aan het woord, tevergeefs natuurlijk: ,,Ze herhaalde dat ze me had willen redden, maar dat die vruchteloosheid, de vruchteloosheid van al haar pogingen en van haar liefde, langzaam de liefde had uitgedoofd die in haar binnenste voor mij gloeide, waarna daar enkel een gevoel van vruchteloosheid, vergeefsheid en verdriet was achtergebleven.''

Op de dag voordat Kertész de Nobelprijs ontving, publiceerde de Neue Zürcher Zeitung een interview met hem. In dat interview zegt hij: ,,Ik wil sterven. Ik wil ophouden, en schrijven betekent, langzaam ophouden.''

Een vreemde definitie van schrijven, zoals een kale vrouw voor een spiegel een vreemde definitie is van je identiteit.

Maar het zou goed zijn als iedereen die zich op wat voor manier dan ook met schrijven bezighoudt, die woorden onthoudt.

Schrijven is niet het leven, veeleer een verraad aan dat leven, een noodzakelijk verraad misschien, het is een bezigheid voor mensen die niet weten wat ze met dat leven aan moeten vangen.

Het is langzaam ophouden, het moet dat zijn, en als het geen langzaam ophouden is, is het geen schrijven.

Onbepaald door het lot (1975). Uitg. Van Gennep, €12,50 (nieuwe druk verschijnt 11 maart)

Kaddisj voor een niet geboren kind (1990). Uitg. Van Gennep, €18,00