Gebrek aan durf

Corus, ontstaan uit British Steel en Hoogovens, heeft sinds de fusie van vier jaar geleden nog nooit winst gemaakt. Terwijl concurrenten volop saneren, stapelen de verliezen bij Corus zich op. Een saneringsplan voor Port Talbot in Wales ligt al een jaar lang klaar. Toch durft het bestuur het niet aan. `Wij moeten vasthouden aan de lijn die bij de fusie is uitgezet.'

The Prince of Wales zelf verrichtte de opening. Ruim een jaar nadat een explosie de hoogoven in Port Talbot, Corus' grootste staalproductievestiging in Wales, had verwoest. Tien centimeter werd de hoogoven van de grond getild, drie werknemers vonden de dood, tien raakten zwaar gewond. Begin dit jaar werd de geheel gerenoveerde hoogoven weer in gebruik genomen. `Een feniks die uit zijn as herrijst', schreef de lokale krant The Western Mail.

Bij de officiële opening, een maand later, waren behalve kroonprins Charles ook Rhodri Morgan, de eerste minister van Wales, en Peter Hain, minister voor Wales in de regering-Blair, aanwezig. Een zware delegatie. Corus is van groot belang voor de werkgelegenheid in de regio. Van de 25.000 Corus-werknemers in het Verenigd Koninkrijk werkt de helft in Wales.

Toch gaat het slecht met de staalproductie. Na de fusie in 1999 van Hoogovens en British Steel tot Corus heeft Wales, net als Corus als geheel, geen winst meer gemaakt. Alleen het voormalige Hoogovens in IJmuiden is al die jaren zwarte cijfers blijven schrijven. Analisten verwachten dat Corus over twee weken, wanneer het bedrijf zijn jaarcijfers publiceert, opnieuw een fors verlies bekend zal maken, in de orde van grootte van 600 miljoen euro. Corus heeft adviesbureau McKinsey in de arm genomen om te kijken of het staalconcern nog wel de juiste strategie volgt.

Zowel in Port Talbot als in IJmuiden maakt Corus platte staalproducten (ook wel `stripproducten' genoemd), die gebruikt worden in auto's, witgoed, radiatoren, vaten, verfblikken, batterijen en frisdrankblikjes. Corus is in het Verenigd Koninkrijk daarnaast actief in bouw- en constructiestaal: dikke platen en balken voor grote bouwwerken, zoals bruggen en wolkenkrabbers, en voor treinrails. Hoogovens bracht bij de fusie bovendien zijn winstgevende aluminiumpoot in, maar die wil Corus in de loop van dit jaar voor circa 750 miljoen euro verkopen aan het Franse aluminiumconcern Pechiney.

De stripproductie (plat staal) is goed voor veertig procent van de omzet en isdaarmee Corus' belangrijkste activiteit. Constructiestaal en aluminium zijn goed voor respectievelijk een kwart en vijftien procent van de in totaal twaalf miljard euro omzet. Stripproductie vormt het marktsegment waarin de activiteiten van zowel het voormalige British Steel als het oude Hoogovens elkaar overlappen. Als er door de fusie dus ergens synergievoordelen te behalen zijn, is het daar.

Met dat idee in het achterhoofd en wegens de noodzaak iets te doen aan de zware verliezen, gaf de voor de stripproductie verantwoordelijke Corus-bestuurder Aad van der Velden (oud-bestuurder van Hoogovens) in januari 2000 opdracht zowel de Britse als de Nederlandse stripproductie door te lichten. Van der Velden verliet Corus een half jaar later om persoonlijke redenen, maar het reeds in gang gezette onderzoek naar de stripactiviteiten werd ook na diens vertrek voortgezet en leidde eind 2001 tot een rapport: The Road to Value Creation of Corus Strip Portfolio.

Corus distantieert zich nu van dat rapport. ,,Het is een jaar oud en nooit naar buiten gebracht. Het is geschreven door een voormalige Corus-manager op diens initiatief. De raad van bestuur van Corus heeft er niet om gevraagd en het ook niet bekrachtigd. Het bezit geen geldigheid'', aldus een woordvoerder.

Maar de conclusies uit het rapport zijn opzienbarend. Op maar liefst 45 procent van de afzet van stripproducten maakt Corus geen winst. Van die 45 procent wordt 10 procent tegen kostprijs verkocht en 35 procent met verlies. Er is daarbij geen verschil tussen de verschillende vestigingen: zowel Corus Strip Products IJmuiden als Corus Strip Products UK heeft een orderportefeuille die voor ongeveer een derde uit verliesgevende afzet bestaat. Noodgedwongen.

De noodzaak om staal beneden de kostprijs te verkopen is een probleem waar elk staalbedrijf mee zit. Het is het gevolg van de enorme schaal van de productie-installaties: één of twee hoogovens, een staalfabriek en een warmbandwalserij voor het platwalsen. Een deel van het staal gaat daarna nog voor verdere verwerking naar koudbandwalserijen, waar het nog dunner gewalst wordt, en naar bekledingslijnen, waar het vertind wordt of een zinklaag krijgt, voor het naar de afnemer gaat. Door de enorme investeringen om zo'n hele productielijn op te tuigen en door de hoge kosten om die lijn continu in bedrijf te houden, bestaat meer dan vijftig procent van de kostprijs uit vaste kosten. Om die vaste kosten zo laag mogelijk te houden, moet een staalbedrijf daarom de productiecapaciteit zo optimaal mogelijk benutten. Bezetting gaat daarom voor prijs.

Inspelen op conjuncturele schommelingen in de vraag is daarbij niet mogelijk, want door tijdelijk minder te produceren, schiet de kostprijs van het resterende deel van de productie omhoog: de vaste kosten moeten dan over minder eindproducten worden verdeeld. Aangezien op de staalmarkt continu een felle prijsconcurrentie woedt, kan geen enkele staalproducent zich dat veroorloven. De productiecapaciteit aanpassen kan alleen in hele grote stappen,door complete productielijnen bij te bouwen of te sluiten. Vandaar dat geen staalbedrijf ontkomt aan het verkopen van een deel van de productie beneden de kostprijs.

Afnemers weten dat. Een deel van hen wacht daarom tot de staalproducent zakt met zijn prijs. Doet die dat niet, zoeken ze een ander, want er is altijd wel ergens een staalproducent met onderbezetting.

Er is een categorie klanten die bereid zijn te betalen voor stabiele levering, hoge kwaliteit en samenwerking bij de ontwikkeling van nieuwe productspecificaties en daardoor niet zo snel zullen wisselen van leverancier. Dat zijn de klanten waar een staalproducent wél op verdient. Er is echter ook een categorie klanten die wel staal nodig heeft, maar verder niet geïnteresseerd is waar het vandaan komt en alleen naar de prijs kijkt. Dat zijn de klanten waar een staalbedrijf verlies op maakt.

Het hoge percentage verliesgevende afzet is de voornaamste oorzaak van de structurele verliezen die Corus lijdt op zijn stripproductie, constateert het onderzoeksrapport. Om weer winst te maken, zou de productie met hetzelfde percentage moeten worden verminderd. Het Corus-bestuur heeft tot dusver hoofdzakelijk geprobeerd om door kosten te besparen uit de verliezen te komen, maar daarmee verdwijnt de verliesgevende afzet nog niet.

Om tot een structureel winstgevende productie te komen zijn volgens het rapport rigoureuze maatregelen nodig. De productie zowel in Wales als in IJmuiden met een derde verminderen is niet mogelijk, omdat dan aan beide kanten van de Noordzee een deel van de productielijn stilstaat, terwijl de vaste kosten gewoon doorlopen. Het verlies zou alleen maar groter worden. De oplossing is volgens het rapport daarom het concentreren van de volledige staalproductie op één plek: in IJmuiden.

Dat het rapport kiest voor IJmuiden en niet voor Wales, heeft te maken met het verschil in productiekosten. Wales is veel duurder dan IJmuiden. Het maken van een ton warmgewalst staal kost in Wales gemiddeld vijftig euro méér dan in IJmuiden, wat neerkomt op een kwart van de kostprijs. Het verschil is voor een deel te verklaren uit de hoge koers van het Britse pond ten opzichte van de euro, maar heeft ook te maken met verschillen in ligging en schaalgrootte van de productievestigingen.

In 2000, het eerste jaar na de fusie, bedroeg de totale afzet van stripproducten 10,7 miljoen ton, waarvan 6,2 miljoen ton in het Verenigd Koninkrijk werd geproduceerd en 4,5 miljoen ton in Nederland. Op een derde van de productie, 3,6 miljoen ton, werd verlies geboekt. Om alle verliesgevende afzet te elimineren, zou de productie volgens het rapport moeten worden teruggebracht tot 7,1 miljoen ton.

Doordat sindsdien de Nederlandse productievestiging een nieuwe gietwalsinstallatie in gebruik heeft genomen (waarin staalfabriek en warmbandwalserij zijn geïntegreerd tot één procedé), is de productiecapaciteit in IJmuiden inmiddels opgevoerd tot ruim zes miljoen ton. Bij het bouwen van de gietwals is bovendien rekening gehouden met de mogelijkheid tot verdere uitbreiding, waarna volgens het rapport de benodigde 7,1 miljoen ton aan stripproducten in IJmuiden geproduceerd kan worden.

Conclusie: in Wales wordt de volledige staalproductie overbodig.

Die boodschap is voor het door Britten gedomineerde Corus-bestuur onaanvaardbaar. Corus heeft bij de verschillende Britse vestigingen sinds de fusie al meer dan 10.000 banen geschrapt – in EbbwVale in Wales bijvoorbeeld, omdat de fabriek, die midden in het dorp lag, `niet langer paste in de logistiek van Corus'. En het bestuur voelt er niets voor nog eens duizenden banen te schrappen, laat staan de net door de Prince of Wales heropende hoogoven in Port Talbot alweer te sluiten.

Kort nadat het rapport in december 2001 onder de top werd verspreid, stuurde bestuursvoorzitter Tony Pedder op 4 februari 2002 een brief naar de raad van bestuur van Corus en de directie en commissarissen van Corus Nederland. Daarin noemt hij de uitkomsten van de studie `interessant', maar de voorgestelde aanpak doet hij af als onrealistisch. ,,Het is duidelijk dat voor een radicale strategiewijziging ook een praktische grond nodig is, naast een theoretische'', schrijft Pedder. ,,Zonder iets af te doen aan de dringende noodzaak tot verbeteringen, is mijn inschatting dat we moeten vasthouden aan een stapsgewijze benadering.'' Bij het bepalen van de te volgen strategie is het volgens Pedder ,,noodzakelijk om een balans te vinden tussen het bepalen van een richting en de praktische uitvoerbaarheid daarvan''. Ook de personele gevolgen spelen volgens Pedder een rol bij zijn keuze voor ,,een strategie die geen radicale nieuwe ideeën bevat, maar vasthoudt aan de lijn die is uitgezet op het moment van de fusie''.

Inmiddels is het bedrijf een jaar verder en is er nog altijd geen zicht op winst. De meeste beleggers hebben het vertrouwen in Corus allang verloren, getuige de koersval van meer dan 85 procent tot twintig eurocent. Heel Corus is op de beurs minder dan een miljard euro waard.

De belangrijkste Europese concurrenten van Corus hebben inmiddels wel maatregelen in gang gezet. Het Duitse ThyssenKrupp heeft de volledige staalproductie in Dortmund enkele jaren geleden gesloten en het rendabele deel daarvan overgeheveld naar Duisburg. Het Frans/Spaans/Luxemburgse Arcelor heeft onlangs een ingrijpende sanering van de staalproductie aangekondigd, waarbij hele productievestigingen in België (Cockerill Sambre in Luik), Duitsland en Frankrijk op termijn dicht gaan en de stripproductie wordt geconcentreerd op een beperkt aantal productievestigingen. Het bestuur van Arcelor heeft daarbij expliciet gemeld dat de maatregelen zijn ingegeven vanuit ,,de structurele overcapaciteit voor platte staalproducten'' en ,,het belangrijke volume aan niet-winstgevende orders'' waar het concern, de grootste staalproducent ter wereld, mee kampt. Net als Corus dus.

Het Corus-bestuur ruziet intussen met de ondernemingsraad en de commissarissen van de Nederlandse tak over de verkoop van de aluminiumactiviteiten van het voormalige Hoogovens. Corus wil de opbrengst daarvan gebruiken voor de versterking van de balanspositie (die door de aanhoudende verliezen in de laatste jaren ernstig is verslechterd), om zo de vernieuwing van een binnenkort aflopend bankkrediet veilig te stellen. Maar zelfs als het Corus lukt om de aluminiumverkoop goed af te ronden, is het structurele probleem van de onrendabele afzet niet opgelost.

Het personeel in Nederland wil dat de aluminiumopbrengst gebruikt wordt voor investeringen in IJmuiden, omdat het vreest dat Corus Nederland de voorsprong op de concurrentie anders zal kwijtraken. ,,We hebben in IJmuiden met verbijstering gadegeslagen dat die hoogoven in Port Talbot, die we konden missen als kiespijn, weer is opgebouwd'', zegt een voormalige Hoogovens-directeur.

De Nederlandse commissarissen liggen eveneens dwars. Ook zij vinden dat de opbrengst van het aluminium beter gebruikt kan worden dan voor het lenigen van Corus' financiële nood. Om de staalproductie in Wales te saneren bijvoorbeeld.

    • Jochen van Barschot Marc Serné