Een Perzische luchtkus

Ik zat te bladeren in Translations of Eastern Poetry and Prose, een bloemlezing uit het werk van vijftig Arabische en Perzische dichters, in de vertaling van R.A. Nicholson, uit 1922. Helemaal achterin viel mijn oog op een weggedoken kort stukje proza. Daarin werd verteld hoe op een dag een sjeik, Abú Sa'íd, iemand in de verte een lied hoorde zingen over een onbereikbare geliefde. De zanger wilde zich verbergen in zijn eigen liefdeslied. Want alleen zo zou hij de aanbedene ooit nog eens kunnen kussen: als zij zijn lied zou gaan zingen. In het Engels: `I'll hide myself within my song of love, / That I may kiss thee when thou singest it.' De sjeik was opgetogen toen hij het hoorde. Hij vroeg naar de naam van de dichter van het lied. Men zei hem dat het Umára was. `Kom', zei hij toen tegen zijn leerlingen, `dan gaan we hem bezoeken.' En hij vertrok meteen, en allen volgden hem.

Einde van het prozastukje. Het verhaal moet zich rond het jaar 1000 hebben afgespeeld. Het werd pas vier, vijf eeuwen later opgeschreven, door de Perzische dichter Jámí, die leefde van 1414 tot 1492. En nog weer eens vijf eeuwen later vond Nicholson het charmant genoeg om te vertalen, en zo naar het westen te brengen. Waarom spraken de regels van Umára de sjeik zo aan, en waarom doen ze dat nog steeds?

De wanhoop van de verliefde zanger, die zijn geliefde niet mag of kan of durft te benaderen, is vermoedelijk van alle tijden en culturen. En misschien zit in zijn toverachtige oplossing wel de oerdroomwens van iedere zanger en dichter verborgen: willen opgaan in het eigen lied, woord worden, louter stem zijn, en zo alsnog de ander bereiken. Gemakkelijk is het niet. Eerst zal de zanger een zo mooi lied moeten zien te maken dat de onbereikbare geliefde het daadwerkelijk zal gaan zingen. En dan nog zal het om een denkbeeldige kus gaan, een kus op afstand, een luchtkus.

Er was nog een andere reden waarom deze passage tot de verbeelding sprak. Ik zag de sjeik en zijn discipelen vertrekken op weg naar de bron van het gedicht, maar ik wist dat dit stukje zelf ook weer een bron was geweest: voor een gedicht van J.H. Leopold. Precies boven deze plek moeten ooit ook de ogen van Leopold hebben gezweefd. De vindplaats was al lang bekend, en de tekst was al in enkele Leopold-uitgaven geciteerd, maar toch was het verrassend om nu zelf door het boek in kwestie heen te wandelen, de bladspiegel en de regelverdeling en de drukletter te zien, de ouderdom van de pagina's te ruiken, een bladzij om te slaan en daar opeens een bekend gegeven te zien en te weten: bij deze passage werd tachtig jaar geleden, in een huurkamer aan de Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam, inspiratie opgedaan.

Leopold moet iets hebben gezien, of herkend, in de twee regels van Umára. Het zette hem aan tot het maken van een vertaling, maar misschien kan je beter zeggen: tot een heel eigen bewerking. Of, nog beter: een tamelijk getrouwe vertaling die uitloopt in een vrije bewerking van in totaal zes regels. De eerste twee regels van Leopold sluiten aan bij de eerste regel van Umára: `Ik wil gaan schuilen in mijn eigen woorden, / onzichtbaar zijn in mijn verliefd gedicht'. Regel drie en de eerste helft van regel vier komen overeen met de tweede regel van Umára: `dat ik haar mond mag kussen, als wellicht / zij zingt'. Maar dan is ook al wel duidelijk dat Leopold het origineel heeft onderworpen aan zijn eigen stijl en ritme en tot onderdeel heeft gemaakt van een langere en veel omvattender beweging. Zo eindigt het: `en over open lippenboorden / de sylben komen van des onverhoorden / verlangens sidderende zielsbericht.'

Het vers van Leopold zingt zich niet alleen langzaam los van zijn oorsprong, maar ook van zijn eigen regelmaat. In de eerste twee regels valt het regeleinde nog samen met een natuurlijke pauze in de zin. In de derde regel valt de pauze al eerder, maar het regeleinde komt dan nog wel overeen met een grammaticale grens, en dat is ook nog net zo in regel 4, maar in de vijfde regel niet meer: daar loopt de woordgroep `des onverhoorden verlangens' over de regelgrens heen. Naarmate het gedicht vordert, wordt het vrijer, vreemder en vervoerender. Zie ook het opduiken van een nieuw, en nog niet zo mooi woord als `lippenboorden'; daar zullen wel de randen of uiteinden van de lippen mee zijn bedoeld. Zie ook het woord `sylben', een eigenzinnige variant op `syllaben' (lettergrepen). En zie een woordgroep als `de sylben van des onverhoorden verlangens sidderende zielsbericht', een taalkundige hersenkraker waarvan de betekenis bij elke aandachtige analyse toch telkens weer dreigt te ontglippen. Als ik het goed zie, hoopt de dichter dat er straks lettergrepen over de lippen van de geliefde mogen komen, lettergrepen van een bericht dat afkomstig is uit haar ziel. Het is een bericht dat, zoals in een goed hartstochtelijk lied, sidderend gezongen wordt en waarin al sidderend een verlangen doorklinkt dat nog niet verhoord is. Het staat nergens, maar ik heb het gevoel dat de dichter hoopt dat de geliefde dan voor het eerst haar verlangen naar hem zal uitzingen.

Het mooie idee van de dichter die met zijn woorden de lippen van de geliefde weet te beroeren (Umára, twee regels) wordt hier door Leopold uitgebreid met een innerlijke variant, tot een gedicht van zes regels. Het gaat hem niet alleen om lippen en kussen, maar ook om een gedeeld verlangen en een uitgesproken zielsverwantschap. Dit zou allemaal typisch Leopoldiaans genoemd kunnen worden: verschuilen, vervluchtigen tot stem, sidderen, door middel van dichterlijke woorden in contact komen met de diepe roerselen van een onbereikbare andere. Maar de nuchterheid gebiedt toch ook om de vraag te stellen namens wie zo'n zingende geliefde dan zingt: over haar eigen verlangen of over het verlangen dat haar door de verliefde tekstdichter in de mond is gelegd? Is de dichter misschien verliefd op zijn eigen echo?

In een nuchtere bui valt er nog wel meer op Leopolds gedicht af te dingen. `Ik wil gaan schuilen in mijn eigen woorden': het is mooi gezegd, maar het is in dit geval in tegenspraak met zichzelf. Leopold schuilt hier juist niet in eigen, maar in geleende woorden: via de vertaling van Nicholson overgenomen van Jámí die op zijn beurt niets anders deed dan een anekdote navertellen over de wijze Abú Sa'íd, die op zijn beurt niets anders deed dan stil blijven staan bij een zanger die niet beter wist dan dat hij een paar regels van Umára zong. `Ik wil gaan schuilen in mijn eigen woorden' schreef Umára duizend jaar geleden, maar het is hem niet gelukt. Dankzij al die andere dichters die zijn woorden leenden, kunnen we hem nog steeds heel goed zien zitten, in zijn mooie schuilplaats.