Een eiland als hoofdpersoon

In de serie vertaalde klassieken deze week `Samen op het eiland Zeekraai' van Astrid Lindgren (vert. Rita Törnqvist-Verschuur. Met illustraties van Alice Hoogstad. Ploegsma. Vanaf 9 jaar.285 blz. euro 17,95)

Zoals er `feelgood'-films zijn, zijn er ook `feelgood'-boeken. Verhalen waarin weinig gebeurt zonder dat het saai wordt. En zonder dat het nou meteen beklemt. Verhalen als voortkabbelende beekjes, met net genoeg vaart en afwisseling om meeslepend te zijn en, vooral, met een hoop gezelligheid. Astrid Lindgren schreef niet veel van die boeken. Emil, of, zoals hij in Nederland helaas heet, Michiel van de Hazelhoeve doet ook bij de zoveelste herlezing nog hardop lachen. Pippi is te raar, te tegendraads, om comfortabel te zijn, net als Karlsson (van het dak). Ronja de roversdochter en De gebroeders Leeuwenhart zijn te ontroerend, en te spannend, net als bijvoorbeeld Rasmus en de landloper.

Maar er zijn uitzonderingen binnen Lindgrens oeuvre. Verhalen over een jeugd in Zweden waarin niet veel, maar net genoeg, gebeurt. Madieke van het rode huis, De kinderen van Bolderburen. En, vooral, Samen op het eiland Zeekraai. Het boek is voor het eerst in Nederland verschenen in 1965 en, hoewel nog vijf keer herdrukt, hier nauwelijks bekend.

Het begint, als vaker bij Lindgren, met een klinkende uitnodiging: `Ga op een zomermorgen eens naar de Strandkade in Stockholm om te kijken of daar soms een witte boot ligt, die naar de eilanden gaat en Zeekraai 1 heet. Als dat zo is, ben je aan het juiste adres en hoef je alleen maar aan boord te stappen. Klokslag tien uur gaat er een belletje en op hetzelfde ogenblik maakt de boot zich los van de kade.'

Is dit oubollig? Ja. Geen hedendaags jeugdboek begint nog op zo'n toon, geen auteur richt zich nog zo rechtstreeks tot zijn lezertjes, of het moet bij monde van zijn hippe hoofdpersoon zijn. Maar het is zo onhollands oubollig, zo zonder kneuterigheid en zo zonder braaf christelijke ondertoon. Hier gaat de tocht al direct `door wijde bochten en smalle zeestraatjes' tot aan de `open zee', vol `kale klippen en scheren'. Tot aan het laatste bewoonde eilandje dus: Zeekraai.

In Samen op het eiland Zeekraai brengt een onorthodoxe familie, het gezin Melkerson, een vader, vier kinderen, hun vakantie door op het eiland. Het is onmogelijk te zeggen wie de hoofdpersoon van het boek is, of het moet het eiland zelf zijn. Over de onhandige, dromerige vader gaat het, een schrijver die altijd pech heeft, over zijn jongste zoon Pelle die van alle dieren houdt, tot wespen aan toe; en over de negentienjarige dochter Malin, die moederen moet en door talloze aanbidders achtervolgd wordt, zelfs op het dunbevolkte eiland. Lindgren nam fragmenten uit Malins hoogst geheime dagboek op. Maar Samen op het eiland Zeekraai gaat net zo goed over de vaste eilandbewoners, zoals de hond Bootsman en zijn zevenjarige bazin Mops. En over Mops rivale, Stina, met haar opa en haar raaf. Een rode draad is niet of nauwelijks te ontdekken, al komt er aan het eind een omslag, als het vakantiehuis verkocht dreigt te worden aan de hoogst onaangename zakenman `directeur Karlberg' die het dreigt te slopen om er een `schattige bungalow' voor in de plaats zetten. Er is actie geboden, en wel meteen. Maar helaas leveren die laatste dertig pagina's die spannend hadden moeten worden, weinig lezenswaardigs op.

Samen op het eiland Zeekraai is heruitgegeven als deel elf in de `Astrid Lindgren-bibliotheek' van uitgeverij Ploegsma. Deel tien was een jubileumuitgave van de Pippi Langkous-omnibus, met meer gekleurde illustraties van Carl Hollander dan in de voorgaande drukken. Het is natuurlijk meer dan prettig dat Ploegsma zo gestaag voortgaat met het (weer) leverbaar maken van Lindgrens boeken, in stevige gebonden edities. Maar het is jammer dat het zo lelijk gebeurt. Op de omslagen, in weeë tinten uitgevoerd, prijken groot de nummers van de boeken in de reeks en, ook veel te groot, in een spierwitte band, het logo van de uitgeverij. Erger is dat bijna alle boeken opnieuw geïllustreerd zijn. De Zweedse illustratoren werden vervangen door Nederlandse, die aan het werk van Lindgren afbreuk doen.

Karlson bijvoorbeeld werd van Ilon Wiklands levensechte, dikke man (`in zijn beste jaren'), die hij zijn moet, een ongeloofwaardig, slordig poppetje met een propellertje op zijn rug van Georgien Overwater. Philip Hopman maakte van Björn Bergs Emil een slap aftreksel. Maar Alice Hoogstad in Samen op het eiland Zeekraai spant de kroon. In de tekst staat, om maar wat te noemen, duidelijk wat voor hond Bootsman is. Al op pagina 16: Bootsman is `de grootste sintbernardshond' die Malin in haar leven heeft gezien. Zijn lobbesachtig en wat droevige voorkomen is belangrijk in het boek en staat steeds opnieuw beschreven. Maar Hoogstad maakte een heel ander beest van hem, hoog op de poten en kortharig. Kinderen letten op dit soort dingen en storen zich eraan als de plaatjes niet `kloppen' bij de woorden, meer nog dan volwassenen.

De mensen die Hoogstad tekent, lijken teveel op elkaar. Mops verloor haar Mopsige voorkomen, ze wordt geacht op een mopshond te lijken, maar heeft hier hoogstens een wat breder hoofd dan de anderen. Pelle en zijn vader kregen moderne kuifjes en het Zeekraaise landschap mist op de plaatjes alle betovering. Jammer is dat, zoals ook een Disney-Winnie the Pooh.

    • Judith Eiselin