`Die lange zinnen zijn fantastisch'

Guy Cassiers is de eerste regisseur die het aandurft om `Op zoek naar de verloren tijd' van Marcel Proust te bewerken voor toneel. Erik de Kuyper nam de bewerking voor zijn rekening: `Proust schrijft meer over slapen dan over schrijven.'

Onmogelijk! Sisyphusarbeid! Heiligschennis! Dwars tegen al dat scepticisme in stralen Guy Cassiers en Eric de Kuyper een en al zelfverzekerde bevlogenheid uit. Al maanden werken ze in het Ro-theater in Rotterdam aan hun vertolking van Op zoek naar de verloren tijd, het literaire meesterwerk van de Franse schrijver Marcel Proust (1871-1922). Vier delen worden het, vier volle avonden, waarvan het eerste deel, De kant van Swann, over een paar dagen in première gaat.

Verfilmd waren sommige delen van Prousts enorme levenswerk al wel, maar nog nooit heeft iemand het aangedurfd van die 3.500 bladzijden tellende cyclus een toneelversie te maken. Dat is begrijpelijk: er zit nu eenmaal veel onzegbaars in het werk van Proust. De verhaallijn bevat niet de essentie van wat Proust wil zeggen; zijn thematiek is zo rijk dat er sprake is van een embarras du choix; de gelimiteerde tijd van een avond toneel staat haaks op de langgerekte tijdservaring bij Proust en bovendien bestaat het grootste deel van De verloren tijd uit overpeinzingen en gedachten in associatieve, eindeloos meanderende zinnen, die zich er niet bepaald voor lenen om op een podium te worden uitgesproken.

Alleen een eigenzinnige regisseur die het experiment niet schuwt en die niet door het megalomane wordt afgeschrikt, begint aan iets dergelijks: en dat ís Guy Cassiers. Geheel in de lijn van zijn vorige voorstellingen, zoals De wespenfabriek en Lava lounge, werkt Cassiers voor dit project niet alleen met acteurs, maar ook met een veelheid aan visuele mediatechnieken: vertelling, live muziek van een strijkkwartet, installaties, videobeelden en tekstprojecties.

,,Guy Cassiers is een regisseur die weet wat hij wil'', bevestigt Eric de Kuyper, die de bewerking voor zijn rekening nam. ,,Het stuk is voor hem op maat gemaakt.''

,,Guy is de schilder, ik ben het penseel'', zegt acteur Paul R. Kooij, die onlangs nog schitterde als de boze buurman in zowel het toneelstuk als de film Ja zuster nee zuster. ,,Ik ben gewend mee te denken over mijn personage, over de inhoud, over de tekst, maar daar kom je bij hem niet mee weg.''

,,Guy maakt visuele en zintuiglijke kunst van deze tijd'', zegt actrice Marlies Heuer. ,,Ik vind het erg leuk daar onderdeel van te zijn en dus geef ik me over.''

Eric de Kuyper, schrijver, essayist en cineast, die eerder het draaiboek schreef voor de Proustverfilming La Captive, selecteerde samen met Guy Cassiers de teksten. De vier avondvullende voorstellingen noemt hij `een Proustiaanse keuze'. Zo kon het thema van de tijd, zo belangrijk bij Proust, tot uitdrukking komen in het idee achter de voorstelling: ,,De tijd zit in de vorm.''

Voor Cassiers was dat een onomstotelijk uitgangspunt: ,,Als je te veel wilt in een te korte tijd, blijf je hangen in anekdotiek.'' En: de kracht van Proust schuilt juist in de uitweidingen. ,,Lees het script, dan voel je dat. Het is geen theatertekst. Precies zoals de mensen die vroeger De verloren tijd lazen zeiden dat het geen roman was. Het script begint met een monoloog van zo'n vijftien pagina's, daarna volgen er twintig korte scènetjes, ieder van een zin of vier.''

Kathedraal

In die beginmonoloog kijkt de volwassen Proust terug op zijn jeugd; daarna volgt zijn ontmoeting als onzekere jongen met het meisje Gilberte. Na de pauze wordt de liefdesgeschiedenis verteld van Charles Swann en zijn vrouw Odette, de ouders van Gilberte. ,,Verschillende taalregisters volgen elkaar op, personages komen soms terug, dan weer niet.'' Juist door die vorm is Cassiers trouw aan Proust, meent hij, zo steekt De verloren tijd zelf ook in elkaar: ,,Proust schreef eerst het begin en het eind. Daar tussenin, los van alle vormelijke verplichtingen, bouwde hij zijn kathedraal, vol essays, overpeinzingen en verhaaltjes. Zo kreeg de schriftuur van zijn boek een eigen universum.'' Cassiers geeft aan dat universum zijn eigen interpretatie, maar wel op een manier die Prousts kathedraal respecteert. ,,Het is gevaarlijk'', realiseert hij zich. ,,Ik probeer de codes van het hedendaagse theater maken open te gooien, net zoals Proust deed met die van de roman.''

De voorstelling moet ,,veel meer Proust zijn dan enkel de tekst''. Wat Cassiers voor ogen staat is het creëren van een zintuiglijke wereld. In De verloren tijd analyseert de schrijver hoe de zintuigen in elkaar zitten. Door verschillende kunstdisciplines naast elkaar te plaatsen wil Cassiers het publiek dat letterlijk laten ondervinden. ,,Door een bepaalde smaak duik je plots in je kindertijd, door een bepaalde geur krijg je emoties terug. Wat Proust ervaart door het eten van dat koekje, die madeleine, noemt hij het onvrijwillige geheugen. Ik wil een theatertaal ontwikkelen die iets dergelijks stimuleert, zodat het publiek niet alleen hier en nu kan genieten, maar ook in het eigen verleden zal duiken en zijn eigen toekomstperspectieven gaat formuleren.'' Voor Cassiers is het `alleen maar' illustreren van wat Proust zegt uit den boze. Isoleren wil hij, weggummen, ,,zoveel dat er eigenlijk alleen maar dat koekje overblijft en er een wereld van mogelijkheden ontstaat''.

De toeschouwer moet dan ook geen waarheidsgetrouwe decors verwachten, geen wervelende beelden van een aristocratische salon aan het begin van de twintigste eeuw, geen theeserviezen en geen weelderige kostuums. Hij moet het voor de pauze doen met tekstprojecties, beelden van levensgroot geprojecteerde hoofden en live-muziek van het strijkkwartet Quattor Danel, dat met Webern, Kanchelli, Kurtag en Stravinsky op de scène een dialoog aangaat met de acteurs. Die staan in het eerste deel ofwel met hun rug naar het publiek of verborgen achter grote doeken en spreken hun tekst uit voor een camera. Er wordt weinig getoond en veel gesuggereerd. Cassiers: ,,Ik verleid de toeschouwer met acteurs, met muziek en met beelden om zijn eigen film te maken. We spelen het spelletje wat is waar en wat is niet waar, we creëren een illusie. Voor de pauze bijvoorbeeld zie je een deel op de scène maar ook een deel niet. Die structuur geeft op een juiste manier duiding aan het werk van Proust.''

Bijbel

Ook in de tekst zijn eigenzinnige keuzes gemaakt. ,,Wikken, wegen en opofferen'', aldus Eric de Kuyper. ,,Het basisgegeven is net zo rijk als de bijbel. Je kunt wel honderd versies maken.'' De affiniteit van Cassiers gaf daarbij de doorslag: niet te veel van de mondaine wereld, geen historisch drama, wel beschouwingen over kunst. Zelf zou De Kuyper wellicht meer gekozen hebben voor de historische context of voor de humor die je bij Proust vindt. Ook heeft hij niet veel op met de erkende interpretatie van De verloren tijd dat de schrijver zou worstelen met zijn roman in wording. ,,Proust schrijft meer over slapen dan over schrijven. Hij worstelt helemaal niet'', zegt De Kuyper, ,,het geluksgevoel bij zijn eerste schrijfproeve vergelijkt hij met dat van een kip die een ei heeft gelegd! Je kunt nauwelijks iets ontluisterenders over het schrijverschap zeggen. Toch heb ik die lijn aangehouden, vanwege Guy.''

Ook taalkundig staat De Kuyper kritisch tegenover de meester: ,,Eén op de vijf metaforen is mislukt, soms heeft hij gewoon niets te zeggen. Zo licht als het zonlicht, dat voegt niets toe. Twee op de vijf metaforen zijn subliem, maar soms krijgt hij het niet gezegd. Meestal komt dan vijfhonderd pagina's verder hetzelfde, en dan beter.''

Al jaren werkt De Kuyper met de Franse tekst van Proust en daarom ging hij ook voor deze productie aan het werk met het Franse origineel. De Nederlandse vertaling, van de hand van Céline Linssen, mocht redelijk vrij zijn zolang de toon maar werd gerespecteerd. Gaat iemand in een liefdesscène over van `je' op `u', dan is dat aangehouden. De Kuyper: ,,In de salon van Madame de Verdurin, een snob, zijn er grote toonverschillen. Soms begeven de aristocraten zich onder het volk, gaan ze plat doen, net zoals bijvoorbeeld intellectuelen van nu die naar Ajax gaan. Dat zijn we trouw gebleven.'' Soms had de vertaalster grote moeite met haar vertaling, vertelt hij. ,,Maar dan was het Frans gewoon een ratjetoe. Proust is fascinerend, maar vrij onevenwichtig.''

Hoe is De Kuyper omgegaan met dat notoir moeilijke, associatieve taalgebruik van Proust, met dat minimum aan handeling? ,,Proust schrijft fantastische dialogen!'' roept hij uit. ,,Hij was eigenlijk een theaterman, veel dialogen hoef je alleen maar in te korten.'' Vervlakking, vergemakkelijking van de tekst was uit den boze. Het `lekker in de mond liggen' was geen criterium. Integendeel, de lange zinnen zijn gehandhaafd – ook dat was de keuze van Cassiers.

Drie talen zijn er gehanteerd, vertelt de regisseur. Er is de geprojecteerde taal, de teksten die de mensen kunnen lezen en die informatie geven over de plaats en de handeling. Cassiers: ,,Door tegen de toeschouwer te zeggen dat we ons nu bevinden in een salon met tweehonderd man, speel ik zintuiglijk met hem. Ik laat hem geloven in wat we hem aanbieden.'' Dan zijn er de dialogen. Cassier: ,,De mensen zeggen bij Proust nooit wat ze denken. In zijn beschrijvingen daarentegen laat hij perfect zien hoe de menselijke psyche in elkaar zit. Die dualiteit proberen we naast elkaar te zetten.''

En er zijn die beschrijvende, ellenlange gedachtes, die Cassiers bewust intact laat. ,,Ik wil laten zien hoe een krachtige theatertaal de meest complexe zinnen helder maakt. Een juist kader maakt ze begrijpelijk. Een acteur die zo'n zin heeft ingestudeerd, begrijpt hem en dan wordt het ook voor de toeschouwer begrijpelijk. Die lange zinnen zijn fantastisch op de scène!''

De acteurs, Paul R. Kooij als de volwassen Proust en Marlies Heuer als Odette Swann, zijn zich er terdege van bewust dat ze vorm moeten geven aan ongrijpbare personages. ,,Ik bén er eigenlijk niet op het toneel, ik speel de gedachte van Proust van waaruit die figuren worden opgeroepen'', zegt Kooij, ,,ik ben een hoop tekst''.

,,Odette is bijna geen vrouw van vlees en bloed'', zegt Heuer. ,,In het script is ze sjabloonachtig, het zijn facetten van die vrouw.'' Beiden vinden het lastig greep te krijgen op hun tekst en hun rol. Ze zijn theatermensen die graag een verhaal vertellen, de hele ruimte bespelen. De hypermoderne aanpak van Cassiers is spannend voor hen, maar verre van gemakkelijk.

Stiekem

Kooij staat, voor de pauze, met gebogen rug naar het publiek en spreekt zijn tekst in een cameraatje. Zijn gezicht wordt op de muur geprojecteerd. ,,Je hebt het tegen niemand en het gaat over niks. Voor mijn gevoel had ik op het toneel geen contact; niet met collega's en niet met het publiek. Soms kon ik die camera wel breken, dacht `rot toch op met je kunst'.'' Voor Kooij aan deze productie begon, associeerde hij Proustlezers met ,,het type snob dat te veel tijd heeft en dan met Proust in de rugzak door de Sahara gaat sjouwen''. Inmiddels is hij `door mijn eigen cliché heengebroken': Proust blijkt over actuele onderwerpen te gaan; over liefde, jaloezie en verlatingsangst. Kooij probeert zijn Proust zo aards mogelijk te maken: ,,Als publiek mag je best denken dat hij toch wel een beetje een merkwaardige man was. Die angsten, die koortsdromen, dat is toch niet helemaal gezond.''

Kooij worstelt met de lange monologen. ,,Vlak voor de pauze is er die beschrijving van de jurk van Madame Swann – met strikjes die voor haar uit dartelen – die zinsconstructies zijn zo lang, als je één keer de mist in gaat, raak je vast. Aan een doorsneezin kun je wel wat omdraaien, maar hier niet. Ik zet stiekem wat punten en komma's. Als ik iets uitspreek wat ik niet begrijp, dan produceer ik alleen maar woorden, en zal het publiek allicht denken: kan die man niet af?''

Marlies Heuer stoeit met het fragmentarische; met de literaire taal op het toneel; met de vele korte scènes waarin ze Odette (`een chique courtisane die op een vrij luchtige manier door het leven gaat') moet neerzetten. ,,Odette zegt op een gegeven moment van zichzelf dat ze een domme geit is. Zet ik haar zo neer, of maak ik haar tot een intelligente vrouw? Ik houd van dubbelheid, maar ik weet nog niet precies hoe ik haar in die korte momenten moet verpersoonlijken.''

De lange bespiegelende monologen vindt Heuer prachtig, daarom lees je Proust tenslotte. ,,Als toeschouwer moet je niet denken dat je naar een toneelstukje gaat om te kijken hoe het afloopt. Je moet deze voorstelling ondergaan zoals je naar muziek luistert, zoals je naar een schilderij kijkt. Je moet je realiseren dat het lekker lang gaat duren.''

`Proust 1: De Kant van Swann' gaat op 5 maart in première in de Rotterdamse Schouwburg. In mei volgt `Proust 2: De Kant van Albertine'. Proust 3 en 4 volgen in het voorjaar van 2004. Inl: 010-4047070 of www.rotheater.nl