De laatste neus

De Kamoro snijden al eeuwenlang beelden, schilden, prauwkoppen. `Elke snijder is ervan doordrongen dat hij gebaard is en ooit met een navelstreng aan zijn moeder vastzat.'

Voormalig Nederlands Nieuw-Guinea (tegenwoordig Papoea), 1947. De Japanners hebben het met sagobossen begroeide regenwoud tussen de Etnabaai en de Otakwarivier aan de zuidkust lang verlaten. In zijn pas geopende missiepost in het Kamorodorp Atuka piekert pater Gerard Zegwaard over de vertaling van een woord. De Kamoro (of Mimikanen) noemen hun licht ontvlambare buren van wie zij door een groot stinkend moeras gescheiden zijn niet de Asmat, maar Manawé. Na de vestiging van de eerste bestuurs- en missiepost aan het einde van de jaren twintig overvielen de Asmat herhaaldelijk Kamorodorpen en roofden daarbij alle westerse goederen die ze te pakken konden krijgen. De Kamoro waren als de dood voor de Asmat en vluchtten `wé-mana-wé' roepend het bos in, zodra ze eraan kwamen. Het verlangen van de Asmat naar ijzer was zo groot dat ze zelfs de spijkers uit de banken van een missieschooltje trokken. De ijzerbijters uit het `onbestuurde' Asmatgebied wilden ook een missiepost annex importbureau. Ze voelden zich achtergesteld.

Het woord Manawé was door het handjevol Nederlandse missionarissen en bestuursambtenaren altijd begrepen als menseneters, maar Zegwaard twijfelde. Viel er taalkundig niet evenveel voor te zeggen om Manawé te vertalen als eetbare mensen? Dat maakte nogal wat uit. Zo kon je een karbonaadje omtoveren in een karbonadeneter. Wie at eigenlijk wie? Zegwaard zelf at voornamelijk ananassen. In Atuka was een verlaten tuin waarin er genoeg groeiden om een bataljon soldaten van vitamine C te voorzien. Ze waren tijdens de oorlog door de Japanners geplant en daarom alleen al raakten de Kamoro, die erg wreed waren behandeld, ze niet aan. Voor hen waren het beulsvruchten, voor Zegwaard zoetsmakende granaten. De priester had deze vruchten, het enige decadente dat er in de hele Kamoro te vinden was, vrijwel voor zich alleen. De enige die af en toe beschroomd om een ananas kwam vragen was een Ambonese hoer die eenzaam was achtergebleven nadat haar Japanse klanten zich uit de voeten hadden gemaakt.

Tritonexpeditie

Enkele maanden voor zijn dood in de zomer van 1996 vroeg ik Zegwaard of het niet lastig was om zo'n taal op eigen kracht te ontraadselen. Hij had me honderden prachtige verhalen en mythen vol merkwaardige logica laten lezen die hij destijds had opgetekend en vertaald. Wel lastig, antwoordde hij, maar niet ondoenlijk. Ten eerste kon hij voortbouwen op het werk dat zijn voorganger, de linguïst Drabbe, had gedaan. Die kraakte in de loop van zijn leven de codes van wel veertig Indonesische en Papoeatalen. Bovendien zei Zegwaard veel steun te hebben gehad aan de komst van de structuralistisch georiënteerde antropoloog Jan Pouwer. Die had op meesterlijke wijze de methode van `de waardeloze antropologie' weten in te zetten bij het beschrijven van de sociale structuur en het analyseren van mythen, symbolen en ceremoniële feesten. ,,Waardevrije antropologie Gerard'', corrigeerde ik snel. ,,Precies, dat was het.''

Het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden heeft een prachtig initiatief genomen. Het beschikt zonder twijfel over de mooiste en grootste collectie Kamorokunst ter wereld en daarvan is nu voor het eerst een overzicht te zien op de tentoonstelling `Papua leeft! Ontmoet de Kamoro'. Het grootste deel van de verzameling dateert uit het begin van de vorige eeuw. Ongeveer zeshonderd van de in totaal dertienhonderd voorouderbeelden, ceremoniële schilden (yamate), geestenpakken, prauwkoppen, geestenpalen (mbitoro) en andere voorwerpen werden verzameld tijdens militaire expedities onder leiding van kapitein A.J. Gooszen tussen 1907 en 1915. De oudste voorwerpen werden al in 1828 aangeschaft tijdens de Tritonexpeditie, toen er nog vrijwel nooit een blanke op Nieuw-Guinea was geweest. De jongste voorwerpen verwierf Dirk Smidt, conservator Oceanië van het Leidse museum, in 2002 tijdens het Kamorofestival, waar ook een veiling werd gehouden van houtsnijwerk.

Toen Zegwaard niet lang na de Tweede Wereldoorlog het dorp Pigapu bezocht, was het geheel geïsoleerd en had het maar honderd tot honderdvijftig inwoners. Er waren opvallend veel zwaar invaliden – een inteeltverschijnsel – die zich kruipend door de glibberige modder moesten zien te redden. Die misstand is voorbij, het isolement is doorbroken. In 2000 werd Pigapu zelfs aangewezen als permanente locatie voor het jaarlijks terugkerende festival. Het initiatief daartoe nam Kal Müller, de pr-man van het Amerikaanse mijnbouwbedrijf Freeport, dat zijn negatieve imago kwijt wilde. Om de grootste koperberg ter wereld te kunnen exploiteren lieten de Amerikanen de lokale bevolking (voornamelijk Amungwe, geen Kamoro) destijds wegjagen door Indonesische militairen. Freeport groef decennialang de koperberg af en maakte gigantische winsten, waarvan de Papoea's nauwelijks meeprofiteerden. Zij blijven zitten met een ernstig vervuild, misschien zelfs voorgoed vergiftigd gebied. En dat is niet hun enige zorg. In vijftig jaar is de Kamorobevolking meer dan verdubbeld, maar desondanks vormen de ongeveer achttienduizend stamleden tegenwoordig een minderheid op eigen terrein door de grote toevloed van straatarme Indonesische transmigranten die er hun allerlaatste kans op een beter bestaan krijgen.

Kal Müller is een oprecht betrokken werker, die hoopt de Kamoro gelegenheid en middelen te verschaffen om hun traditionele cultuur in ere te houden. In Agats, de hoofdplaats van de Asmat, die een week peddelen verderop ligt, wordt al sinds 1981 jaarlijks zo'n veiling van houtsnijwerk gehouden. Die wordt door Freeportmedewerkers druk bezocht. Wat in de Asmat kan, moet hier ook lukken, moet Kal Müller gedacht hebben en hij kreeg gelijk. Voor de Kamorosnijders is dit een manier om Indonesische tussenhandelaren te vermijden. Als hun werk via deze veiling de wereld in gaat, profiteren ze er voor het eerst voornamelijk zelf van. Müller straalt uit dat hier aan Wiedergutmachung wordt gedaan, maar helemaal prettig voelt het voor mij niet, want het festival kost Freeport natuurlijk maar een schijntje. De Kamorosnijders zitten nergens mee. Zij zijn ingenomen met de aandacht voor hun cultuur, raken geïnspireerd en verheugen zich erover dat museumconservatoren van belangrijke musea hun werk kopen en exposeren. Pigapu is uitgegroeid tot een culturele happening die honderden mensen inspireert.

Voor de totstandkoming van de tentoonstelling zijn zowel het pionierswerk van de missionarissen Zegwaard en Coenen als het veldwerk van Pouwer van groot belang geweest. In de tijd dat zij bij de Kamoro leefden, was de traditionele cultuur al in het slop geraakt. Orthodoxe missie en bestuur hadden een erg ongunstige invloed gehad. Ze stonden afwijzend tegenover de traditionele manier van leven, waarin initiatiefeesten, prauwwedstrijden, herdenkingsfeesten en andere ceremonieën een centrale rol speelden. Er was een serieuze poging gedaan tot een culturele hersenspoeling. Volgens een missionaris zouden de trommen zijn verstomd, de snijders nog zelden een beeld maken en de traditionele cultuur op sterven na dood zijn. Ik geloof dat niet zo. Als een overheerser de plaatselijke cultuur verbiedt, gaat die ondergronds. De paar blanken die er zaten, denk aan de inspecteurs in Irak, konden onmogelijk alles in de gaten houden. En al zou het waar zijn dat door de komst van bestuur en kerk nauwelijks nog beelden werden gesneden, dan betekent dat nog niet dat de Kamoro stante pede zouden zijn opgehouden elkaar verhalen te vertellen. Er was geen zwijgplicht en juist de verhalen zijn de motor voor de beeldcultuur. Figuren als Zegwaard, Coenen en Pouwer hadden wel belangstelling voor de traditionele cultuur en documenteerden wat zij konden.

Navels

Ze kwamen tot de conclusie dat Kamoro met de Asmat een culturele eenheid vormden. Een verschil was dat de Asmat patriarchaal en de Kamoro matriarchaal waren ingesteld. Rechten op sagogronden overerven bij de Kamoro via de vrouwelijke lijn en vrouwen hebben bij hen aanmerkelijk meer macht en zijn ook vrijer dan bij de Asmat. Vergeleken met veel Asmatmannen zijn de Talibaan geëmancipeerde jongens. Doordat de Kamoro veel eerder contact kregen met de buitenwereld dan de Asmat, zijn in het verleden de verschillen tussen de twee groepen sterk gechargeerd, maar als de tentoonstelling in Leiden iets duidelijk maakt, dan is het dat er vooral veel overeenkomsten bestaan en dat de wederzijdse beïnvloeding op het terrein van taal en beeldcultuur complex is. Het mopere-motief (navel, soms ook vagina) bijvoorbeeld speelt een centrale rol bij de Kamoro, maar komt ook bij de Asmat veel voor. Navels op de plaats waar een hoogzwangere vrouw haar navel heeft zitten, navels op kniegewrichten, navels op de plaats waar ellebogen buigen (wie niet beweegt leeft niet), navels in de yamate die een voorouder voorstellen, navels in jaarvogels en reuzennavels ten slotte in de vlag van de reusachtige geestenpalen (mbitoro). Elke snijder is ervan doordrongen dat hij gebaard is en ooit met een navelstreng aan zijn moeder vastzat. Daaraan dankt hij zijn leven.

Door die honderden vrouwelijke navels die je zaal na zaal aanstaren, begint er iets anders te dagen. Als de Kamoro toch leven, zoals de titel van de tentoonstelling suggereert, waarom zijn ze dan niet betrokken bij het maken van de selectie uit meer dan anderhalve eeuw Kamorokunst? Juist van het Rijksmuseum voor Volkenkunde had ik dat verwacht, omdat ze openstaan voor nieuwe ideeën. Waarom hebben wij liever dat zij jagen, verzamelen en mooie beelden maken, dan ze uit te nodigen om mee te beslissen over wat voortaan de canon van Kamorokunst moet worden? Komt de hunne met de onze overeen, of wringt het juist? Dat zou een spannende tentoonstelling kunnen opleveren waarin de betrekkelijkheid van een canon ter discussie staat. In Canada kregen de Kwakiutl indianen die kans van het U'mista Cultural Centre in Alertbay en zo zijn er meer voorbeelden te geven. Het is een illusie te denken dat het mogelijk zou zijn een waardevrije keuze te maken.

In slagorde staan de schitterende zwangere vrouwfiguren die Gooszen verzamelde opgesteld. Waarom is het ook in deze zaal weer zo donker? Daglicht vormt een bedreiging voor pigment, vertellen de museummedewerkers. Beschilderde beelden blijven het best bewaard in volledige duisternis. Dus, wat doe je als je toch de mooiste beelden en interessantste voorwerpen wilt laten zien? Daar zet je een onschadelijk spotje op. Jammer, vind ik. Die paar maanden per eeuw dat het merendeel van deze voorwerpen de kelder uit komt, mogen ze toch wel in het daglicht staan? Met spotjes pers je beelden in het keurslijf van de vormgeversesthetiek. Het worden bijzondere, om niet te zeggen sacrale objecten. Dat is een blijk van westerse erkenning voor Papoeabeelden en tegelijkertijd een rigoureuze ontkenning van wat die beelden in hun eigen context ooit waren. Was de conservator gekomen met het verzoek niet deze zwangere vrouwfiguren esthetisch te groeperen en te belichten, maar in plaats daarvan Japanse kimono's of Russische ikonen, dan was er ongeveer dezelfde presentatie gekomen. Voorwerpen worden zo ingelijfd in onze hiërarchie van appreciatie (oud, zeldzaam, kostbaar, mooi), het worden topstukken in plaats van overleden vaders, moeders, tantes, of neven. De zwangere vrouwfiguren staan in de catalogus te boek als `hoogtepunten' van Kamorokunst, terwijl dat voor de Kamoro waarschijnlijk geen bruikbaar concept is. Nederlanders kunnen trouwens onmogelijk weten of dit wel de hoogtepunten zijn, omdat er maar eens in de halve eeuw een paar militairen, aardrijkskundigen en botanici door het gebied voeren die de, op dat moment toevallig aanwezige, beelden inlaadden. Hun eigenlijke expertise was niet `het kijken naar en kiezen van beelden', maar lag op het terrein van Papoea's wegjagen, koper ontdekken, of boomvarens determineren. Mijn ervaring is dat er daar met die beelden, hoe bijzonder gemaakt ook, veel gewoner wordt omgegaan dan wij doen. De tegenstelling tussen het profane en sacrale zoals wij die kennen is veel minder uitgesproken.

Penibel

Het nadeel van een expositie in betrekkelijke duisternis is handig omgezet in een voordeel door op de zaalwanden wisselende dia's met bijbehorend geluid te projecteren waardoor de brug wordt geslagen tussen de houten voorouders hier en de alledaagse werkelijkheid daar. De dia's geven er een levendige impressie van, het werkt. Ook is er een aantal informatieve korte films te zien die een eerlijk beeld geven van de penibele toestand van de Kamoro, maar ook van het plezier tijdens het festival en het verloop van de veiling. Het hele traject dat een Kamorobeeld doorloopt van Pigapu tot en met de aankomst van een vrachtwagen vol spullen bij het museum is gefilmd. De museummedewerkers pakken de voorwerpen met witte handschoenen voorzichtig aan. De prachtige yamate waar in Pigapu nog een hond tegenaan piste toen er even niemand oplette is hard op weg museumtopstuk te worden.

Het mooiste beeld op de tentoonstelling is de geestenpaal met vlagachtig uitsteeksel (mbitoro) die in 1952 door Pouwer werd verzameld in Kokonao. Het is verwant met de bisjpalen van de Casuarinenkust bij de Asmat. Tijdens het initiatiefeest (karapao) waarin deze meer dan zeven meter lange paal een centrale rol speelde, werd het beeld heen en weer gewiegd en zelfs door een opgewonden menigte feestgangers onder begeleiding van getrommel de lucht in gegooid. Daarna werd de paal overeind gehesen en kreeg zijn plaats voor het feesthuis. Vervolgens klommen enkele ceremoniemeesters de paal in en memoreerden op luide toon de heldendaden en goede eigenschappen van degenen die in de vorm van voorouderfiguren in de paal herdacht werden: we missen je vingervlugge garnalenpelster, ja jou onovertroffen sagoklopster... In dit geval waren dat de hoog geschatte houtsnijder Katiwiuta die onder de schitterende vlag ten voeten uit is vertegenwoordigd en de vrijgevochten Majepio, de Aletta Jacobs van Kokonao. Ze stierven beiden tijdens de Japanse bezetting van het gebied.

Achtbaan

Wie de maker van deze geestenpaal wil leren kennen, kan ik aanbevelen de vlag na te tekenen. Na tien minuten heb je het gevoel alsof je al die tijd geblinddoekt in een achtbaan hebt gezeten, de beslissingen van de snijder zijn onnavolgbaar, het duizelt je. Na twintig minuten weet je zeker dat je even hebt meegevoeld met een kunstenaar (en niet met een degelijk ambachtsman).

Bij de initiatie van jongens werd hun neustussenschot doorboord, een soort alternatieve besnijdenis. Thuis hadden ze met een scherp voorwerp al maandenlang de tijd gehad om vast een gat te priemen, maar het zware werk vond pas tijdens dit feest plaats. Daarbij werd de ene na de andere initiandus aan dezelfde lange spies geregen onder luidruchtige bijval van de feestgangers. Het was een pijnlijke affaire die bloederiger en snotteriger werd naarmate jouw neus later aan de beurt kwam. Je moest koste wat kost voorkomen als laatste neus te eindigen. De verwantschap met de Asmat blijkt ook hier weer. Ook zij doorboorden in het verleden hun neustussenschot (en droegen er een imponerend sieraad in), maar bij hen werd de gebeurtenis nooit uitgebouwd tot een speciaal initiatiefeest.

Feestneus, bloedneus, laatste neus, het onderdeel van het doorboren van de neus is afgeschaft. Vooral voor de minst hanige jongens moet dat een hele opluchting zijn, maar de laatste jaren worden andere onderdelen van het feest weer met grote inzet gevierd. De steentijd is voorbij, mensen dragen westerse T-shirts, hebben borden en bestek, maar dat sluit kennelijk niet uit dat er nog altijd kwalitatief heel goede mbitoro en yamate worden gesneden.

Volgens hun oorsprongsmythe ontstonden de eerste mensen doordat de mannelijke en vrouwelijke mensfiguren die de cultuurheld Manirima uit hout had gesneden langzaam tot leven kwamen zodra hij zijn trom bespeelde. Net zo zien we in de documentaire over de veiling in Pigapu conservator Dirk Smidt langzaam in beweging komen. Nauwkeurig volgt hij het protocol van de mythe. De stramme Smidt knikt eerst voorzichtig, maar al snel gedurfder met zijn knieën en ellebogen. Het maakt een geanimeerde indruk. Waaraan denkt hij? Aan de navel van zijn moeder, of aan de geestenpaal die hij op het nippertje voor Leiden wist te bemachtigen? Bijna was het museum van Dresden ermee vandoor gegaan. Even later is Smidt helemaal los en danst met een vlezige Kamorosnijder in vol ornaat. Ze omhelzen elkaar en lachen vrolijk. Een driedaags bezoek aan het Kamorofestival doet, als je het mij vraagt, meer dan een jaar mensendieckgymnastiek. De conclusie is onontkoombaar en zonder meer bemoedigend; niet alleen Papoea leeft, ook Smidt leeft weer en is vast van plan de Kamoro te blijven volgen. Dit is inderdaad de manier om een dode etnografische verzameling opnieuw betekenis te geven.

`Papua leeft! Ontmoet de Kamoro'. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden. T/m 31 augustus.

`Kamoro Art. Tradition and innovation in a New Guinea culture.' (Dirk Smidt ed.). KIT Publishers, Amsterdam. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden.