Ayaan Hirsi Ali 10

De reactie van de heer Zalm op het verzoek van 21 ambassadeurs van moslimlanden kan zowel voorspelbaar als behendig genoemd worden. Het verzoek van de ambassadeurs om een uitspraak van de VVD inzake de kwetsende uitspraken van Hirsi Ali over profeet Mohammed, pareert hij handig, maar tevens onlogisch.

Hij stelt immers dat de VVD zich niet inlaat met geloofszaken, en zij dientengevolge geen commentaar hoeft te geven op uitspraken van VVD-leden die dat wél doen. De bedoelde uitspraken van Hirsi Ali getuigen in de ogen van velen van weinig klasse, maar in de ogen van sommigen van grote moed. In ieder geval mag zij een beroep doen op de vrijheid van meningsuiting in Nederland, hoe bot en vervreemdend zij deze vrijheid ook wenst toe te passen.

De heer Zalm zou echter wel dienen in te springen waar de geloofwaardigheid van een VVD-Kamerlid in het geding komt, zelfs als dit door eigen toedoen gebeurt.

Hirsi Ali heeft meermaals verkondigd dat haar toetreding tot de landelijke politiek voortkomt uit een grote behoefte om op te komen voor de belangen van (onderdrukte) moslimvrouwen. De VVD-fractie heeft dit toegejuicht en toegezegd dat zij hiertoe de kans zou krijgen. Sindsdien heeft Hirsi Ali moslims bij meerdere gelegenheden achterlijk genoemd en in het interview in Trouw noemde zij moslimvrouwen zelfs blind. Met deze uitspraken ondermijnt zij haar geloofwaardigheid als volksvertegenwoordiger, maar vooral als belangenbehartiger voor deze vrouwen.