Werk is hét recept voor integratie

De integratie van allochtonen stokt. Dat wordt niet zelden geweten aan culturele verschillen. Wat wordt vergeten is dat de arbeidsmarkt de sleutel is tot integratie, meent Arie van der Zwan.

Zowel journalisten als wetenschappers zijn verzot op landen die ze de rest van de wereld als model ten voorbeeld kunnen stellen. In positieve dan wel in negatieve zin. In de jaren zeventig-tachtig van de vorige eeuw stond het Zweedse model van de economie om zijn innovatieve kracht in hoog aanzien terwijl Nederland in die jaren juist te boek stond als de zieke man van Europa (Dutch disease).

In de jaren negentig waren de rollen omgedraaid. Zweden had met de ernstigste crisis in zijn geschiedenis als welvaartsstaat te kampen, terwijl Nederland zich door gunstige economische resultaten onderscheidde. De media waren de voorgeschiedenis vergeten, de reputatiemachine begon weer op volle toeren te draaien: het poldermodel was nu geboren.

Alleen al dit voorbeeld laat zien dat in de economische ontwikkeling van landen ups en downs elkaar afwisselen, die bovendien niet synchroon lopen met de ontwikkeling in andere landen. In een periode van voorspoed die gunstig afsteekt tegen de prestaties van de omringende landen sta je als land hoog genoteerd, volgt daarna de terugslag dan beland je in de degradatiezone van de internationale rangordening.

Die opvallende afwisseling van ups en downs vertoont in zoverre een causaal verband dat ook in sociaal-economisch opzicht opgaat dat elk comparatief voordeel zijn keerzijde kent. Als loonmatiging bijvoorbeeld te lang wordt volgehouden produceert die vanzelf zijn demasqué. Alleen al door de kans op navolging die het voordeel tenietdoet. Maar de verleiding om op een ingeslagen weg die succesvol lijkt door te gaan, is moeilijk te onderdrukken.

Met de integratie van buitenlanders ligt het al niet anders. In de jaren zeventig van de vorige eeuw mocht Nederland in de harde sector dan als de zieke man van Europa gelden, binnen de zachte sector werd het geroemd voor zijn succesvolle integratie van minderheden. Nederland werd Duitsland en Engeland ten voorbeeld gesteld (The Dutch Way). Wij introduceerden vroegtijdig lokaal stemrecht voor buitenlanders, kenden antidiscriminatiewetgeving, verleenden een vestigingsvergunning na vijfjarig verblijf en waren soepel in naturalisatie.

Anno 2003 liggen de kaarten van Nederland op dit gebied diametraal anders. Wat met de Indische Nederlanders, Surinamers en (eerste generaties) Antillianen moeiteloos gelukt is, hebben we met de Turkse en Marokkaanse minderheidsgroepen niet weten te klaren. De dramatisch lage arbeidsparticipatie van Turken en Marokkanen stelt buitenlandse onderzoekers voor raadsels evenzeer als de magere schoolprestaties van die groepen. Hun achterstand ten opzichte van de autochtone bevolking is in internationaal perspectief schrijnend.

Opeenvolgende regeringen hebben zich er op laten voorstaan dat wij geen tegenstellingen kennen zoals in Frankrijk, maar gemeten aan harde indicatoren als arbeidsparticipatie en schoolresultaten, is er voor zelfgenoegzaamheid geen plaats.

Zo is het de laatste tijd onder Nederlandse politici weer bon ton met voldoening te wijzen op de dalende werkloosheid onder allochtonen maar de verschillen met de autochtonen zijn er niet kleiner op geworden, terwijl de langdurige werkloosheid onder allochtonen juist weer toeneemt. Wie bovendien de WAO en de Bijstand in het beeld betrekt, ziet in één oogopslag dat de reële participatiecijfers waar het om draait, onverminderd laag zijn onder Turken en Marokkanen.

De klemmende vraag is wat nu de oorzaak is van dit falen. Ook hier ligt het weer voor de hand om die oorzaak te zoeken in het aanvankelijke succes. In politiek-legaal opzicht was Nederland een koploper op integratiegebied. In tegenstelling tot andere landen waar de immigrant primair op zijn economische bijdrage beoordeeld werd. Duitsland bleef bijvoorbeeld vasthouden aan arbeidsmarktkwalificaties voor toelating en aan werk voor verlening van een verblijfsvergunning.

In Nederland is die koppeling door de nadruk op de legale status van de immigrant steeds zwakker geworden. De massale uitstoot van ongeschoolde arbeid in de jaren 1978-1983 heeft de allochtone werknemers relatief zwaar getroffen, hun reïntegratie stuitte, door de gebrekkige arbeidsmarktkwalificaties die ze hadden, op grote problemen. Die omstandigheid heeft de uitvoeringsinstanties van de sociale zekerheid er destijds toe gebracht om het begrip `situationele werkloosheid' te introduceren en de reïntegratiekansen te laten meewegen in de beslissing om een uitkering toe te kennen. Een fatale beslissing waarvan de weg terug moeilijk begaanbaar is.

Aangemoedigd door deze precedentwerking hebben grote aantallen allochtone werknemers, hierin door hun werkgevers gesteund, namelijk de weg naar de WAO dan wel de Bijstand gevonden en zijn er niet meer uitgekomen. Het heeft tot 1989 geduurd alvorens ook onder beleidsmakers het besef doordrong dat deze scheefgroei een ernstige barrière voor integratie opwierp en een negatieve uitwerking moest hebben op de schoolprestaties van kinderen die opgroeien in gezinnen en buurten waar reguliere arbeid een uitzondering vormt. Alle onderzoekingen naar de gevolgen van een werkloos bestaan wijzen er immers op dat dit leidt tot spanningen, gevoelens van onmacht en doelloosheid en isolement.

Na verschijning van het WRR-rapport Allochtonenbeleid (1989) is het roer omgegaan maar zonder kracht en overtuiging. Van de uitzonderlijke arbeidsmarktomstandigheden in de jaren 1996-2002 is onvoldoende gebruik gemaakt om de negatieve trend te keren. Het aantal uitkeringstrekkers is ook onder allochtonen gedaald, maar lang niet voldoende om zoden aan de dijk te zetten. De aanzwellende immigratiegolf in diezelfde periode heeft hieraan geen goed gedaan. Werkgevers hebben om begrijpelijke redenen grote voorkeur voor verse, gemotiveerde krachten. De nieuwkomers zijn de hier reeds verblijvende immigranten om die reden voorbijgelopen.

Nu de problemen zich mede door de stagnerende economie weer opstapelen richt de publieke discussie in Nederland zich op culturele kwesties. Terwijl vergelijkend onderzoek naar integratie, zoals verricht door Dietrich Thränhardt die momenteel als fellow aan het NIAS is verbonden, laat zien dat de Duitse aanpak die over de arbeidsmarkt loopt, veel effectiever is. En dit niettegenstaande de relatief ongunstige economische resultaten van Duitsland. Niet alleen ligt de arbeidsparticipatie van Turken er hoger dan bij ons en steken hun schoolprestaties gunstig af, de sociaal-economische positie van de Turkse werknemer in Duitsland is in tal van opzichten volwaardiger. Hun participatie in vakbondsactiviteiten en ondernemingsraden staat er op een niveau waar wij met gepast respect naar kunnen kijken.

Zonder de Duitse aanpak tot een model te verheffen is er alle reden om uit die ervaring lering te trekken. De sleutel tot integratie is de arbeidsmarkt. Dit is de bevestiging van een ook bij ons al langer bestaand inzicht. Er moet nu ook naar gehandeld worden.

Prof.dr. A. van der Zwan is econoom.