Waarom ik vóór de oorlog tegen Irak ben

Het is een goede zaak het aantal dictaturen op aarde te verminderen. Daarom moeten we niet verdraagzaam zijn jegens Saddam Hussein. De opgewarmde anti-imperialistische propaganda is niet op zijn plaats. Gelukkig zijn dictaturen breekbaar, en het kan zo nu en dan geen kwaad ze een zetje te geven, vindt György Konrád.

Bestaat Europa als een veelkoppig, denkend subject, als een in dialoog met zichzelf naar eigen waarden zoekende gemeenschap? Het hangt ervan af hoe wij onszelf zien of willen zien, en welke historische en geestelijke verworvenheden wij gemeen hebben. Mogen wij de vrijwillige verbintenis van de onafhankelijke Europese staten beschouwen als een nieuw soort politieke natie? Op dit moment leren wij allen wat het eigenlijk inhoudt om burgers te zijn van een fijngevoelige, gecompliceerde republiek-in-wording.

Aangezien het aantal landen dat lid zou willen zijn van de Europese Unie toeneemt, ligt de vraag voor de hand of er in principe grenzen zijn aan de groei van de EU. Zouden, ook als aan de bekende criteria voor toetreding is voldaan, culturele en religieuze verschillen zo'n grens kunnen vormen?

Welke houding dienen de oprichters aan te nemen jegens samenlevingen die op andere culturen gebaseerd zijn, en die twijfel zaaien aan de westerse grondbeginselen van onvervreemdbare vrijheid en waardigheid van het individu, kortom: aan de politieke democratie? Wordt de belaagde periferie door het sterkere centrum beschouwd als een denkende partner, of eerder als een ondergeschikte volgeling? In hoeverre zijn de Europeanen in staat om bij alle veeltaligheid en gebrek aan kennis over de buren, begrip voor elkaar op te brengen?

Ik schrijf deze woorden op 19 februari 2003 niet aan de oever van de Spree, maar aan die van de Donau, terwijl men zich in het Midden-Oosten voor de oorlog gereedmaakt. Het samenhangend geheel van de conflicten, gevoelens van solidariteit, en doctrines die ik tot dusverre heb meegemaakt, verklaart mijn houding. Ik ben één van die vele miljoenen Europeanen die op de drempel van de Europese Unie staan en zich daarom bescheiden dienen op te stellen.

Maar wat wij ons herinneren, dat herinneren wij ons, en dat kunnen en willen wij zélfs ter wille van de omgangsvormen die het nieuwe lidmaatschap meebrengt, niet vergeten. De kleinere landen ten oosten van Duitsland en ten westen van Rusland, maar vermoedelijk ook de Russen zelf, hebben er wezenlijk belang bij dat het westen niet in twee van elkaar vervreemdende democratische bondgenoten uiteenvalt.

De twee wereldoorlogen hebben plaatsgevonden doordat Europa door twee bondgenootschappen gespleten was, waarbij het ten westen van Boedapest gelegen blok – een in vergelijking met ons verder ontwikkelde maar niet al te grote Europese regio – er een tegenovergestelde kijk op de wereld en op de politiek op nahield, die zij aan ons wilde opdringen. In 1940 richtten de democraten in Midden- en Oost-Europa over Wenen en Berlijn heen hun blik op de Angelsaksische bondgenoten, in wier landen onze emigranten zich konden vestigen, omdat de grote meerderheid van de Duitsers het nazisme huldigde en ook vele Fransen daarmee leven konden. Wij zijn ervan overtuigd dat de Atlantische solidariteit een vereiste is voor het federaal voortbestaan van de democratieën. Wie in dit land de Amerikanen veracht, brengt Europa aan de rand van de afgrond, en wie aan de overkant van de Atlantische Oceaan de Europeanen veracht, maakt Amerika dom.

Wie thans in Boedapest in een nieuwe democratie leeft, hoeft zich niet het hoofd te breken om tot de conclusie te komen dat Europa zonder de Angelsaksen nu ofwel nationaal-socialistisch ofwel communistisch zou zijn, of over beide verdeeld. Kunnen wij ook in de toekomst spreken van een Europees-Amerikaanse saamhorigheid, en willen wij deze ook blijven zien als een doorslaggevende voorwaarde voor onze veiligheid en vrijheid? Mismoedig lees ik de geringschattende clichés die aan beide kusten van de Atlantische Oceaan – of liever: beide kusten van Het Kanaal – opgeld doen en die erop neerkomen dat de Amerikanen arroganter zouden zijn, en de met hen kijvende Europeanen meer bevooroordeeld. Ik voor mij beschouw zowel het anti-Amerikanisme als het anti-Europeïsme als populisme, dat tegelijkertijd blijk geeft van grootheidswaan én van minderwaardigheidscomplexen.

Stereotiepe culturele vooroordelen en scheldpartijen getuigen van de eigen onzekerheid, van ons onvermogen om begrip op te brengen voor anderen. Een gemeenschappelijk kenmerk hiervan is een ideologisch bepaalde, overtrokken generalisatie van diverse actuele spanningen. De logica van zulk optreden lijkt op die van het racisme; ieder volk, hetzij klein of groot, kan met een paar spottende en onsympathieke gemeenplaatsen worden afgedaan. De recente transatlantische lichtgeraaktheid doet denken aan echtelieden die op grond van een ruzietje hun huwelijk van tientallen jaren met terugwerkende kracht ongeldig verklaren.

Ik kan mijn teleurstelling niet verhelen. Wij zijn uitgenodigd in een woning waar wij eindelijk rust hoopten te vinden, en kijk nu eens: de man en vrouw des huizes liggen met elkaar overhoop. Misschien is de breuk maar van voorbijgaande aard, maar hij kan net zo goed blijvend blijken – voor ons, Midden-Europeanen een gevaarlijk, ongewenst uitje. Wij laten ons niet in een campagne betrekken, een anti-Amerikaanse net zomin als een campagne tegen de één of andere Europese groepering. Anti-Amerikanen willen wij niet zijn, en anti-Europese frasen wijzen wij af. Van de machten die veel groter zijn dan wij verwachten wij dat zij zich houden aan de solidaire discipline van de democratieën.

Wij herinneren ons nog goed de verwoestende uitwerking die de escalatie van beledigingen kan hebben. Zodra de propagandaslag op gang komt, wordt de politieke toon grover, winnen de demagogen aan invloed en komt er een nieuw spel in zwang, dat erop neerkomt dat de betrokken partijen elkaar geniepig beledigen. Wat de verantwoordelijke opinieleiders zich permitteren, zal ons lot bepalen. De recente verontwaardigde uitspraken over satellietengedrag, kinderachtigheid en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel van de Oost-Europeanen kan maar het best als een verspreking worden genegeerd. Als de scheuring in de Europese en Atlantische integratie blijvend zou blijken en zou worden geïnstitutionaliseerd, zou ik moeten kiezen of ik solidair word met België of met Nederland. Een bespottelijker dilemma kan ik mij nauwelijks voorstellen.

Het zou een dwaling zijn om naties verregaand te identificeren met de gekozen regering die ze toevallig op dit moment hebben; de natie is blijvend, de regering tijdelijk. De anti-ideologieën treffen altijd de diepere ondergrond, die dieper ligt dan de regering, waar het meteen de hele gemeenschap pijn doet. In West-Europa lijkt het anti-Amerikanisme links georiënteerd te zijn, in Oost-Europa meer rechts en zelfs rechtsradicaal. Intussen lijkt het erop dat de vijandigheid jegens Amerika een nieuwe variëteit is van het antisemitisme, dat niet alleen in Oost-Europa maar ook in de oude westelijke familie geen onbekende is.

Laten wij niet debatteren over de vraag wie zich, op welke manier, geneigd toont zich te onderwerpen! Het zou een mooie boel zijn als we Václav Havel met zoiets associeerden. Voor 1945 waren de Midden-Europeanen de slachtoffers toen de Duitsers hun eigen weg gingen. Die weg – de terugweg dan – bracht de Sovjettroepen, die bijna een halve eeuw zijn gebleven. Eén van de redenen waarom wij ons in 1989 uit ons satellietenbestaan hebben bevrijd, is dat wij niet nóg eens een speelbal in de rivaliteit tussen grotere landen wilden worden. De val van bloeddorstige despoten kan de vroegere Oost-Duitse dissidenten niet onverschillig zijn. Op de puinhopen van tirannieën ontstaat altijd één of andere innerlijke beweging; de krachten worden opnieuw geordend en er verbreidt zich een sfeer van openheid.

Het kan de westerse regeringen niet ontgaan zijn dat het regime in Bagdad de van grote mogendheden – onder meer van Duitse bedrijven – gekochte, als strijdgassen bruikbare chemicaliën eerst in de oorlog tegen Iran heeft ingezet. Vervolgens – meteen al na de militaire nederlaag van 1991 – tegen de eigen Koerdische en sjiitische onderdanen. En dat met een grondigheid waarvoor geen ander woord is dan genocide.

Als ik mijzelf niet voor de gek wil houden, kan ik niet geloven aan de onschuld van de Amerikanen, de Duitsers, de Britten, de Fransen, de Russen of de Chinezen. Ik constateer dat zij allemaal hun belangen hebben. Wij, de voormalige dissidenten van Midden-Europa, zijn erop uit het aantal dictaturen op aarde te verminderen. Daarom is de opgewarmde anti-imperialistische propaganda, waarvan de woordvoerders, net als tijdens de Koude Oorlog, op groteske wijze begrip opbrengen voor moorddadige dictaturen, ons niet sympathiek. Dáárom betuigen wij de Iraakse despoot in zijn optreden tegen het eigen land en de buurvolkeren niet demonstratief onze verdraagzaamheid.

De aanhangers van een als werkelijk bestaand aangeduid vreedzaam alternatief spreken van een bewapende ontwapening. Wij mogen wel vragen: betekent dat niet oorlog, als ze door de andere partij wordt afgewezen? En wie zal die oorlog beslechten? Als de Iraakse president de Amerikaanse en Engelse troepen een hel in het vooruitzicht stelt, waarom zou hij dan de bevelhebber van de met blauwe helmen op binnenmarcherende Franse en Duitse troepen voor een etentje uitnodigen om vervolgens samen met hem zijn eigen, onbegrensde macht af te breken? Is er dan niemand die hem naar Den Haag wil brengen om daar Miloševic gezelschap te houden? Wordt de soevereiniteit van deze dictator niet gebroken, dan wordt de huidige toestand gecontinueerd.

Of moeten we alles bij het oude laten?

Als in 1999 de inzet van militair geweld toelaatbaar was – want toen hebben de vredesactivisten van nu niet gedemonstreerd – wat is er dan sinds 1999 veranderd, waardoor nu tegen een tiran in het Midden-Oosten géén militair geweld mag worden gebruikt? Toen in Joegoslavië etnische burgeroorlogen woedden, hebben de grote mogendheden voor één kant partij gekozen. Ook toen is er veel geld gestoken in verwoesting, maar weinig in wederopbouw en hulp.

In 1997 stond ik samen met honderdvijftigduizend anderen in Belgrado op het Plein van de Republiek, waar de sprekers de val van Miloševic eisten, en bovendien een regimewisseling, een politieke ommekeer. Het volk floot, applaudisseerde, lachte, en de bewapende politie deed niemand kwaad. Of het bombardement het bewind van Miloševic heeft verkort of verlengd, valt moeilijk uit te maken. Het is in elk geval een feit dat de gekozen dictator ten slotte door de bevolking van de hoofdstad ten val is gebracht. Uit Bagdad hebben wij zulke beelden niet gezien, maar documentaires over genocide hebben wij wel kunnen bekijken. Volgens de beschikbare inlichtingen valt de wreedheid van de voormalige president van Joegoslavië in het niet bij die van de president van Irak. Hoe moet ik deze voorliefde voor de tirannieke heerschappij in Irak opvatten?

Zou het niet toch beter zijn om de soevereiniteit van staten, van regeringen die een gevaar vormen voor hun eigen bevolking en hun buurlanden, tijdelijk op te schorten, zonodig met militaire druk? Zoals moderne nationale samenlevingen beschikken over professionele bewapende organisaties, zo zou ook de moderne internationale samenleving zulke krachten moeten kunnen inzetten, wanneer gevaarlijke misdadigers in een land alle macht aan zich trekken. De ordehandhavers moeten, waar nodig en mogelijk, het leven en de vrijheid van de burgers verdedigen. Als er gerechtigheid is op aarde, dan zouden moordende dictators hun oude dag in de gevangenis moeten doorbrengen. De wereld heeft net zo goed politie nodig als een stad. Van een politieman verwachten wij geen praatjes, maar beveiliging. Zonder wapenmonopolie onder internationaal toezicht gaan regionale krijgsheren hun kwalijke gang.

In de oostelijke helft van Europa heerste voor 1989 algemeen de opvatting dat hier geen democratie was omdat dat niet mogelijk was, omdat zij niet verenigbaar was met de partijstaten. Anders gezegd: democratie was onmogelijk omdat ze er niet was. Hetzelfde werd beweerd over de militaire dictaturen in Zuid-Europa en Zuid-Amerika. En kijk eens aan: ze is wél verenigbaar. Zou ze alleen verenigbaar zijn met bijbelse doctrines? Hoe zit het dan met India? En Japan? De democratie verdraagt alle godsdiensten.

Is er soms ergens een godsdienst die geen democratie kan velen? Zou de democratie onverenigbaar zijn met het islamitische geloof? Hoeveel veldslagen worden in alle uithoeken in de democratieën van deze wereld geleverd? Op de bewering dat in het Midden-Oosten geen democratische rechtsstaat mogelijk is, omdat hij niet verenigbaar zou zijn met de islam, is maar één antwoord mogelijk: hoe lang nog? Totdat ergens blijkt dat ze wél met elkaar verenigbaar zijn. Als iemand mij zou zeggen dat de islamitische gelovigen graag de overheid vrezen en dat zij, als zij de kans zouden krijgen op vrije verkiezingen, die toch zouden afwijzen, dan zou ik zeggen: hij is een racist. Zouden onze medemensen in het Midden-Oosten er werkelijk op staan dat zij door de overheid gefolterd of zelfs gedood mogen worden?

Voordat ik lachend afscheid neem van de tijdgenoten die zoiets beweren, wil ik eraan herinneren dat dictaturen breekbaar zijn, dat het zo nu en dan geen kwaad kan om ze een zetje te geven. Het eerste jaartal dat ik als bewijs zou willen aanvoeren is 1945.

Wonderen zijn er ook eerder al geweest: ronde tafels waaraan machthebbers en oppositie een overeenkomst over een constitutionele overgang hebben ondertekend. De wagen van Mars ratelt al. En het wonder heeft vertraging.

György Konrád is schrijver en president van de Akademie der Künste in Berlijn.

©György Konrád