Šešelj wil zo lastig mogelijk zijn

De Servische extreem-nationalistische politicus Vojislav Šešelj heeft gisteren voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag geweigerd antwoord te geven op de vraag of hij schuldig dan wel onschuldig is aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.

In de eerste zitting in zijn proces eiste hij dat de volledige aanklacht tegen hem werd voorgelezen. Dat duurde bijna drie uur. Daarna zei hij dat hij de tekst niet had begrepen en dat hij daarom niet kon ingaan op de vraag van de Duitse rechter Wolfgang Schomburg of hij zich schuldig achtte aan de veertien punten in de aanklacht. In de vertaling van de aanklacht werden Kroatische woorden gebruikt die nauwelijks afwijken van het Servisch – vóór het uiteenvallen van Joegoslavië was het Servo-Kroatisch één taal – maar waarvan Šešelj zei dat hij ze niet kende. ,,Ik spreek alleen Servisch.'' Šešelj wordt beschuldigd van moord, marteling en deportatie van moslims, Kroaten en andere niet-Serviërs, en van plundering en het vernietigen van gebouwen. In de oorlogen in Bosnië en Kroatië had hij een eigen militie.

Šešelj, leider van de Servische Radicale Partij, zat in de beklaagdenbank bijna voortdurend met een glimlach op zijn gezicht te luisteren naar het voorlezen van de aanklacht. Soms begon hij hardop te lachen. Hij kondigde aan dat hij zichzelf zou verdedigen. Net als ex-president Slobodan Miloševic weigert hij een advocaat te benoemen. Hij is, net als Miloševic, zelf jurist. Šešelj sloot niet uit dat hij zich wel zou laten bijstaan door juridische adviseurs. ,,Maar er is niemand die namens mij in deze zaal het woord zal voeren.''

Šešelj maakte meteen duidelijk dat hij één van de lastigste verdachten zal worden voor het VN-hof. Hij weigerde op te staan toen rechter Schomburg de rechtszaal in kwam en hij beklaagde zich over de kleding van de aanklagers en de rechter. ,,In mijn land zien mensen er in de rechtbank fatsoenlijk uit'', zei hij. De toga's deden hem denken aan de inquisitie en dat was voor Šešelj ,,psychologisch onaanvaardbaar''. Hij zei ook dat hij die ochtend was ,,gemarteld'': hij had, toen hij van de gevangenis naar het tribunaal werd gebracht, een kogelvrij vest van 20 kilo moeten dragen. Šešelj had pas om elf uur 's ochtends gehoord dat hij die dag in de rechtszaal moest verschijnen. De media hadden er al de avond daarvoor melding van gemaakt. De rechter zei dat dat onderzocht zou worden, en dat het ,,niet correct'' was als dat het geval was.

Verder maakte Šešelj er bezwaar tegen dat zijn familie en vrienden een visum moesten aanvragen bij de Nederlandse overheid voordat ze bij hem op bezoek konden komen. Hij eiste dat de VN over die aanvragen zou beslissen. ,,Ik zal niet accepteren dat ze zich moeten richten tot de Nederlandse overheid.'' De rechter antwoordde dat er nooit een verschil van mening was tussen de VN en Nederland over het toekennen van visa, en dat er nu eenmaal een verdrag was waarin stond dat het gastland daar verantwoordelijk voor was. ,,Gehoorzaamt u nu maar aan die regel, dan kunt u bezoek ontvangen van wie u maar wilt.''

Binnen dertig dagen moet Šešelj opnieuw voor de rechtbank verschijnen. Als hij dan weer weigert zich schuldig of onschuldig te verklaren, zal dat door de rechters worden uitgelegd als een verklaring van onschuld.