Keerpunt in de WAO

Eindelijk gaat het met de WAO de goede kant op. De jongste maatregelen treffen doel. Het aantal nieuwelingen neemt af. Maar hardnekkig probleem blijft de groeiende groep jonge vrouwen met psychische klachten die in de WAO belanden. ,,Het is zonde dat die mensen op de zeef blijven liggen.''

Na een jaar ziekte komen werknemers in de spreekkamer van de verzekeringsartsen. Die beoordelen dan in hoeverre iemand in staat is om te werken. Dat doen ze in een gesprek van meestal niet meer dan drie kwartier. Soms beschikt de arts nauwelijks over medische gegevens en moet hij dus afgaan op het verhaal van de zieke werknemer. Dan komt in de spreekkamer iemand die zegt zo ernstig last te hebben van pleinvrees, dat hij arbeidsongeschikt is geworden. Hoe weet je dat zo iemand de klachten niet simuleert in een poging om een uitkering te krijgen onder de vlag van de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO)?

,,Het is helemaal niet zo moeilijk om daar achter te komen'', zegt verzekeringsarts Jan Hein Wijers, die zelf tal van WAO-keuringen heeft gedaan. ,,Ik vraag iemand eerst uit te leggen wat de klachten zijn. Dat kan iemand nog wel uit zijn hoofd leren, met behulp van een medische encyclopedie. Dan vraag ik: `Wat doet u om met deze problemen te leven?' Want mensen met een fobie ontwikkelen allerlei technieken om toch de dagelijkse dingen te kunnen doen. Zij kunnen bijvoorbeeld precies vertellen hoe ze met hun pleinvrees toch naar de bakker gaan. Maar een simulant valt dan door de mand.''

Niet dat zijn spreekkamer vol simulanten zit, benadrukt Wijers, die voorzitter is van de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG). Hij vertelt het verhaal alleen maar om aan te geven dat het helemaal niet zo eenvoudig is om in de WAO te komen. ,,Er is een algemeen idee dat je met een traan en een zielig verhaal bij de dokter zo in de WAO komt'', zegt Wijers. ,,Onzin. Achterhaald. Vergeet niet, de keuringseisen zijn nu zo streng dat iedereen die zichzelf kan voeden, wassen en aankleden en een boodschap kan doen in principe arbeidsgeschikt is.''

Politici willen ingrijpen in de WAO. Een commissie onder leiding van Piet Hein Donner kwam in 2001 al met de eerste verregaande voorstellen, de Sociaal-Economische Raad (SER) nam de hoofdgedachte van Donner over en scherpte die op punten aan. Het kabinet-Balkenende ging in zijn regeerakkoord weer een stapje verder. Alleen zieke werknemers van wie na een jaar duidelijk is dat ze de komende vijf jaar niet meer kunnen werken, krijgen nog WAO. Wie nog gedeeltelijk kan werken krijgt een aanvulling op zijn loon. Wie van die groep zijn baan verliest, krijgt bijstand. Wie een verdienende partner heeft, krijgt zelfs geen bijstand meer. Bij de formatie stevenen CDA en PvdA opnieuw af op een WAO-stelsel dat op dat van de SER lijkt.

Maar is een grote ingreep in de WAO wel nodig?

Met de WAO gaat het namelijk de goede kant op, blijkt uit cijfers die het UWV, de uitvoerder van werknemersverzekeringen zoals de WAO, afgelopen week vrijgaf. De WAO als geheel groeit nog wel, maar het aantal nieuwe WAO'ers is vorig jaar flink afgenomen. Een verklaring daarvoor heeft het UWV niet, wel hypotheses. Misschien dat de inzet van arbodiensten de laatste jaren vruchten begint af te werpen, misschien dat keuringsartsen langzaam maar zeker hun werk beter doen, misschien dat bedrijven al vroeg hebben ingespeeld op de nieuwe wetgeving die de uitvoering van de WAO moet verbeteren.

Het laatste heeft betrekking op de Wet Verbetering Poortwachter, die van kracht is sinds 1 april 2002. Het is nog vroeg om al wat over de uitwerking te zeggen, maar de eerste signalen zijn meer dan positief. ,,Waar bedrijven vroeger de zaak wel eens op zijn beloop lieten, gaan ze nu toch veel eerder aan de slag met de terugkeer van de werknemer'', zegt Ton Schoenmaeckers van de Brancheorganisatie Arbodiensten (BOA), de diensten die een sleutelrol hebben gekregen in de uitvoering.

De wet moet voorkomen dat werkgever en zieke werknemers in passiviteit richting de WAO glijden. Bedrijven waren al sinds 1998 verplicht arbodiensten in te schakelen voor de aanpak van het ziekteverzuim, maar door deze wet is preciezer omschreven wat werkgever, werknemer en de arbodienst moeten doen. Na zes weken moet de arbodienst een `probleemanalyse' opstellen en na acht weken ziekte moeten werkgever en werknemer een `reïntegratieplan' gereed hebben voor de terugkeer naar de werkvloer. De onderneming of de werknemer die vervolgens te weinig doet voor de reïntegratie krijgt financiële straf; de werkgever moet dan langer het loon doorbetalen dan het ziektewetjaar of de werknemer wordt gekort op zijn ziektegeld.

De eerste cijfers wijzen op een forse daling van het ziekteverzuim. Arbodiensten moeten bovendien ziektegevallen nu na dertien weken melden bij het UWV (belast met de WAO). ,,Het aantal ziekmeldingen is sindsdien gedaald. Dat varieert bij de verschillende arbodiensten van twintig tot vijftig procent minder meldingen'', zegt Schoenmaeckers, die verwacht dat daarmee ook de instroom in de WAO zal dalen.

Voorlopig geen stelselherziening maar afwachten wat het resultaat is van `Poortwachter', is de conclusie van verzekeringsarts Wijers: ,,Wel kun je hier aan daar natuurlijk aan wat knoppen draaien om de uitvoering te verbeteren.'' Zo denkt hij aan het afschaffen van de laagste arbeidsongeschiktheidsklasse (tot 25 procent), daarboven minder klasses en het instellen van een referte-eis van een jaar waardoor een werknemer minimaal een jaar gewerkt moet hebben voordat hij of zij WAO krijgt. En nog enkele andere verfijningen.

De huidige kabinetsplannen voorzien in een verlenging van de zieketwetperiode na twee jaar. Dat is contraproductief, doordat dan de keuring ook later is, vindt Wijers. Juist de nadering van het keuringsmoment zorgt ervoor dat globaal 45 procent van de potentiële instroom verdwijnt: twintig procent gaat voor de keuring al weer aan het werk, een kwart wordt niet afgekeurd. Als je de keuring uitstelt, verdwijnt waarschijnlijk een groot deel van dit effect.

Met dat laatste is Schoemaeckers het wel eens: ,,In dat opzicht moet het nieuwe stelsel niet de huidige praktijk doorkruisen''. En ook hij denkt aan verbeteringen van het huidige stelsel: ,,Voor werknemers die nu niet genoeg doen voor hun herstel zijn financiële prikkels nodig''. Maar hij vindt een stelselwijzging wel nodig om de instroom van werknemers met psychische klachten in te dammen: ,,Er blijft toch een groep waarop je binnen een jaar geen greep krijgt, maar die nog wel degelijk perspectief heeft. Het is zonde dat die mensen nu op de zeef blijven liggen en in de WAO belanden.''

Om greep op psychische arbeidsongeschiktheid te krijgen is volgens Wijers nauwkeurig onderzoek nodig naar de oorzaken en samenstelling van de WAO. ,,De dynamiek van de WAO is enorm, de WAO'er van vroeger is een heel andere dan die van nu. Ging het vroeger vooral om oudere mannen, nu zijn jonge vrouwen de belangrijkste instromers'', zegt Wijers. Waardoor jonge vrouwen psychische klachten krijgen en arbeidsongeschikt raken is onbekend. Er zijn tal van onderzoeken gedaan, maar die spreken elkaar of tegen of komen niet met een ondubbelzinnige verklaring. Binnen de WAO is wel meer onbekend, zegt het UWV, dat zelfs spreekt van een `black box'. Er is een keur van gegevens, van de sectoren die het hoogste WAO-risico hebben (zoals gezondheidszorg of horeca) tot de leeftijdsgroep met het grootste aantal WAO'ers (de babyboom-generatie), maar niet altijd is duidelijk wat de onderlinge samenhang is. Zo leidt de huidige laagconjunctuur tot minder ziekmeldingen, maar is het de vraag of dat ook tot minder WAO-instroom leidt. Volgens Schoenmaeckers niet: ,,Het heeft alleen effect op mensen die vaak kortstondig verzuimen, bijvoorbeeld af en toe een baaldag opnemen. Maar dat zijn geen WAO-kandidaten''.

Duidelijk is wel dat nadere bestudering van de bestaande UWV-gegevens over bijvoorbeeld de grootste `WAO-vervuilers' resultaat kan opleveren. Zo was er een bedrijf met een grote uitval van vrouwen die tussen de 30 en 34 jaar oud waren. Dat bleek bij nader inzien te komen doordat het dienstrooster iedereen verplichtte altijd op dezelfde tijd aanwezig te zijn. Nadat het rooster flexibel werd, daalde het ziekteverzuim. Het UWV verzamelt pas sinds 1999 deze gegevens, en pas het laatste jaar worden de bedrijven hiermee geconfronteerd. Deze werkwijze lijkt in de toekomst meer resultaten op te kunnen leveren.

In plaats van op onderzoek baseren politici en bestuurders baseren zich volgens verzekeringsarts Wijers nogal eens op tal van idées reçues, gemeenplaatsen waarvan haast iedereen aanneemt dat ze min of meer kloppen. Zoals het idee dat de spreekkamer vol met simulanten zit. Of dat er bijna een miljoen WAO'ers zijn en dat wie eenmaal wat lang ziek is op een `glijbaan' naar de WAO roetsjt. ,,We hebben geen 993.000 WAO'ers maar 800.000 en dat aantal groei aanzienlijk minder snel dan de beroepsbevolking. En die glijbaan bestaat niet, want zevenachtste van de langdurig zieken gaan vóór de keuring weer aan het werk.'' [zie kader]

Dat het grote publiek dergelijke ideeën heeft, kan Wijers nog wel begrijpen. ,,Mensen zien hun buurman op een mooie dag uit vissen gaan en beseffen niet dat dit net de goede uren zijn in de dag van zo'n WAO'er. Ze zien de arbeidsongeschikte niet de rest van de dag, als hij thuis van pijn niet kan lopen.'' Dat politici zoals demissionair minister De Geus (Sociale Zaken, CDA) maar wat roepen, vindt Wijers erger: ,,De Geus zegt op tv dat veel werknemers in de WAO komen na een conflict met hun chef. Waar haalt die man dat in hemelsnaam vandaan?''

Het eerste en het tweede deel van deze serie verschenen op resp. 13 en 20 februari en zijn op www.nrc.nl te lezen.

    • Herman Staal
    • Karel Berkhout