Crashen doe je zo

Ahold heeft deze week aangetoond dat de markt een efficiënter reinigingsmiddel bevat om financiële puinhopen op te ruimen dan de overheid. Ruim vijfhonderd miljoen dollar geknoei in de boekhouding van het Amerikaanse dochterbedrijf US Foodservice en schimmige zaken bij Disco, de Argentijnse supermarktketen van Ahold, hebben een van de grootste debacles uit de Nederlandse ondernemingsgeschiedenis ontketend. Topman Van der Hoeven en zijn financiële medebestuurder Meurs vlogen de laan uit, de beurskoers is in elkaar geklapt. Enron aan de Zaan daar is Ahold nog niet mee klaar.

Op één dag raakte Ahold een slordige zeven miljard euro van zijn beurswaarde kwijt. Dat is, om de gedachten te bepalen, ruwweg de helft van wat het komende kabinet over een periode van vier jaar gaat bezuinigen. Van der Hoeven, inmiddels baanloos, kan een cursus `crashen doe je zo' gaan geven. Of, zoals oud-topman Albert Heijn zei: ,,Ik voel me verneukt.''

Ahold is een voorbeeld van corporate overstretch. De top van het bedrijf raakte verblind door het succes. Van der Hoeven, alom bewierookt, straalde steeds meer ijdele zelfoverschatting uit. Hij zocht het hogerop, wilde ook erkenning als dichter en filosoof. Hij lette niet meer op de kleintjes en liet de schuldenlast oplopen. Misschien had de Argentijnse mentaliteit bezit van hem genomen na de aankoop van Disco: het aloude grapje `koop een Argentijn voor wat hij waard is en verkoop hem voor wat hij zegt dat hij waard is' werd de huisstijl van Ahold.

De beleggers betalen. De klappen vallen bij particuliere aandeelhouders met hun spaargeld in populaire beleggingsfondsen, bij zegeltjesplakkers van het AH-spaarfonds en bij grote institutionele beleggers. Ze kunnen nog voor stevige juridische claims zorgen. In Nederland ligt de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders voor wanbeleid sinds de jaren tachtig vast in `anti-misbruikwetten'. Het kan nog veel harder: in de nasleep van de Enron-affaire is in de Verenigde Staten vorig jaar de draconische Sarbanes-Oxley-wet aangenomen, die bestuursleden van ondernemingen hoofdelijk verantwoordelijk stelt voor financieel wanbeleid. Deze wet is ook op Ahold van toepassing. Van der Hoeven en Meurs moeten er ernstig rekening mee houden dat hen eenzelfde lot te wachten staat als de gevallen toplieden van Enron en Worldcom, die geboeid werden afgevoerd.

Ahold is een drama van kapitale omvang. Maar het toont ook het zelfreinigend vermogen van de markt aan: de managers vallen, de beleggers dumpen het aandeel en het bedrijf ligt voor een habbekrats te grabbel. Het is, om met de klassieke econoom Schumpeter te spreken, `creatieve destructie'. Dat gaat anders in de publieke sector. De afgelopen twee weken gaf de Algemene Rekenkamer drie rapporten uit die illustreren hoe bij de Nederlandse overheid met wanbeleid wordt omgegaan. Omzichtig, traag en zonder dat er consequenties uit worden getrokken. Lezing van de rapporten over armoedebeleid, grotestedenbeleid en bekostiging van het onderwijs – geven het onbehaaglijke gevoel dat Nederland steeds verder op weg is een dépendance van Italië aan de Noordzee te worden.

De strekking van de Rekenkamerrapporten is telkens dezelfde: al dan niet met de beste bedoelingen rommelt de overheid maar wat aan. Het armoedebeleid dat vanaf 1995 gevoerd wordt, is uitgegroeid tot een potpourri aan maatregelen. De Rekenkamer schat dat er jaarlijks zo'n 4,5 miljard euro mee is gemoeid, maar meldt in een voetnoot (!) dat ,,een volledig overzicht van het financieel belang van maatregelen ontbrak''. Er zijn negenenzeventig armoedemaatregelen geïdentificeerd, iedere maatregel heeft zijn eigen doelgroep en er zijn negen ministeries bij betrokken. Inzicht in het effect, in positieve of negatieve zin, ontbreekt. Bij het grotestedenbeleid, ook geïntroduceerd onder Paars I, is voor de periode 1999-2004 11,5 miljard euro beschikbaar. Of het zoden aan de dijk zet, is de Rekenkamer niet duidelijk geworden.

In het geval van de onderwijsfraude was het ministerie van Onderwijs op de hoogte, dat er werd gesjoemeld. Men besloot tot een `zelfreinigend onderzoek'. Hierover schrijft de Rekenkamer dat de vragenlijsten onvolledig waren en dat de vrijblijvendheid bij de beantwoording groot was. Het zelfreinigende onderzoek van het ministerie was met andere woorden knudde. Zo bedacht het ministerie een codering om de geconstateerde onregelmatigheden te voorzien van de kleuren groen, oranje en rood, waarbij rood weer werd onderverdeeld in vijf gradaties waarvan alleen de allerzwaarste werd aangemerkt als misbruik. Zo werd het `probleem' grotendeels weggedefinieerd. Niettemin was er volgens het ministerie sprake van 77 miljoen euro waar iets mee mis was. De Rekenkamer stelt vast dat deze `minimumpositie' van gebleken onregelmatigheden niet als een reële schatting kan worden beschouwd.

Wat is hier mis? Als er een geldstroom wordt gecreëerd, wordt die afgetapt. Er is sprake van politieke scoringsdrift, tot ontduiking aansporende regelgeving, veronachtzaming van uitvoering en een overdaad aan betrokken organisaties. Belangenorganisaties willen meeprofiteren en een beetje sociaal smeergeld doet wonderen. Het hoeft niet te gaan om fraude, het is het gemak waarmee belastinggeld wordt uitgegeven. Een Nationaal Instituut voor Fraude-onderzoek, zoals is voorgesteld, zal daar weinig aan veranderen.

De Ahold-crash is van een andere orde als de hbo-fraude, de repercussies zijn dramatischer dan van een zwalkend armoedebeleid. Het bedrijfsleven is geen cent beter en wellicht slechter dan de overheid als het om mismanagement gaat, maar daar bestaat altijd de streep onder de winst- en verliesrekening waarop uiteindelijk wordt afgerekend. Het is pijnlijk, de schade is immens, het vertrouwen verkwanseld en het bedrijf naar de knoppen, maar het werkt.

rjanssen@nrc.nl