Profijt van onderwijs

HET WOORD `kwaliteit' is hol geworden, vooral bij onderwijs. Bezuinigingen op onderwijs zijn verkocht als verbeteringen van de kwaliteit. Staatssecretaris Nijs, die graag spreekt over topkwaliteit, stelde vorig jaar voor studenten het volle pond te laten betalen voor een eventuele tweede studie die ze erbij doen. Een boete op extra kennis dus. Op last van haar minister, Van der Hoeven, heeft ze haar proefballon moeten terugtrekken. De topambtenaren van de Centraal Economische Commissie hebben de kabinetsinformateurs gesuggereerd in het hoger onderwijs meer gebruik te maken van het `profijtbeginsel' en zo tot een besparing van 700 miljoen euro te komen. Wie studeert, verdient later meer en kan dus lenen voor collegegeld, is de redenering. In de daarop volgende maatschappelijke verontwaardiging van de studentenvakbond, universiteitsbestuurders en wetenschappers is dat profijtbeginsel geïnterpreteerd als een dreigende verhoging, zelfs verdubbeling van het collegegeld tot 2.900 euro.

Hogere collegegelden maken onderwijs minder vrijblijvend en motiveren studenten harder te werken, maar dan moet het geboden onderwijs er ook naar zijn. Kwaliteit overeenkomstig de prijs. Naar het zich laat aanzien moeten studenten echter steeds meer gaan betalen voor steeds armoediger hoger onderwijs. De invoering van bachelors en masters betekent een verdere verkorting van de studie, die zeker niet gangbaar is in Europa. Dat is het achteruitgangsscenario van de Nederlandse Spoorwegen. Een hogere prijs voor minder kwaliteit, dus minder klanten. Wie steekt zich nog in de schulden voor een matige opleiding? Een bèta-opleiding is zo arbeidsintensief dat studenten niet met baantjes in het levensonderhoud kunnen voorzien. De hele Nederlandse samenleving heeft er belang bij dat het aantal hoogopgeleiden op peil blijft.

IN LANDEN waar veel collegegeld wordt betaald, Amerika bijvoorbeeld, zijn kwaliteitsverschillen mogelijk tussen universiteiten. Een universiteit waarvan bijna alle afgestudeerden goed terechtkomen, is duurder dan een die minder garantie biedt op een mooie loopbaan. Een universiteit kan beslissen tegen bescheiden vergoedingen massa's studenten door een opleiding te sluizen of verkiezen kleinere, getalenteerde aantallen tegen een aanzienlijk hogere prijs te onderwijzen. In zo'n stelsel verdienen de studenten later genoeg om de leningen te kunnen afbetalen. In Nederland bestaan al scholen voor getalenteerden, Utrecht University College bijvoorbeeld. De overheid zou beurzen of collegegeldkorting kunnen geven voor degenen die een vak studeren waar dringend behoefte aan is, zoals wis-, schei- of natuurkunde. De Britse regering overweegt het collegegeld te verhogen, vooral voor populaire studies, en de leningen alleen te laten terugbetalen door afgestudeerden met een bovengemiddeld inkomen. De PvdA denkt ook in die richting.

Het is bedenkelijk om het profijtbeginsel te gebruiken voor een nieuwe ronde bezuinigingen op onderwijs. Het beginsel moet juist dienen voor een kwaliteitsverbetering die niet slechts retorisch is. Goed onderwijs kost geld maar betaalt zich uit in de welvaart van later. Dat moet de commissie-Vermeend, die de uitgangspunten voor een nieuwe studiefinanciering onderzoekt, beseffen. Nederland kan zich de groeiende onderwijsachterstand op de rest van Europa niet langer veroorloven.