Javakade

Prachtige dagen.

Iemand schreef me vanuit haar huisje in de duinen dat 's nachts de eerste scholeksters waren overgekomen teken van het naderende voorjaar. ,,Steeds dat alarmerende, jubelende geluid... het was ongelofelijk.''

Wat kon ik daar als beklemde grotestadsbewoner tegenoverstellen? Ik besloot mijn best te doen en ging op pad. Het begon goed.

Op de heenweg zag ik de dichter Jean Pierre Rawie bijna juichend langs de zonbeschenen Prinsengracht lopen, hand in hand met een nieuwe geliefde die nog jonger leek dan zijn laatste gedicht. Er is pas een bloemlezing uit zijn rouwpoëzie verschenen, maar Jean Pierre lijkt vastbesloten er minstens nog een paar jaartjes aan vast te knopen.

Voorwaarts dus, maar waarheen? Ik wist het weer: het waterbusje achter het Centraal Station dat frequent over het IJ naar het Java-eiland vaart. Het is zo voorbij, dit pleziertochtje over het water, maar ik kan het iedereen aanraden, want je bent op slag buiten Amsterdam. Je trekt vliegensvlug aan de stad voorbij, op weg naar ruimte, lucht en nog meer water.

Daar, achter de aanlegsteiger op het Java-eiland, begint het uiteindelijke reisdoel: de eilanden van het Oostelijk Havengebied. Ik kom er graag op dit soort dagen.

Je hebt natuurschoon en je hebt stadsschoon, en je hebt stadsschoon dat nauwelijks meer te onderscheiden is van natuurschoon. Dat is het geval in dit gerenoveerde havengebied.

Eigenlijk heb ik al genoeg aan het Java-eiland. Na een korte wandeling over vier fraaie nieuwbakken grachtjes ga ik zitten op een bankje aan de Javakade, een lange streep langs de IJhaven. Achter mij de kleurrijkste, afwisselendste appartementenrij van Amsterdam, voor mij een duizeligmakend uitzicht op het water en de Jan Schaeferbrug. De lucht is strakblauw, bij de horizon neigend naar teergrijs, condenssporen verraden vliegtuigen die ik niet heb gehoord, en verder zijn er alleen meeuwen tussen mij en de stad voorbij de brug.

Als ik Woody Allen was en ik wilde een speelfilm in Amsterdam situeren, zou ik hier mijn opnamen beginnen.

Wat wil ik nog meer? Weinig. Hierna kan het alleen nog maar tegenvallen, en dat doet het ook een beetje. Ik wil daarmee niets ten nadele zeggen van de eilanden die nog moeten komen: het KNSM-eiland, Sporenburg en Borneo. Ook daar verbluffende vergezichten die de eeuwigheid tarten, maar het Java-eiland heeft het nu eenmaal allemaal: aan de noordkant het IJ met de voorbijvarende sleepboten, aan de zuidkant de intimiteit van het rustige water tussen eiland en stad.

Maar loop, als u er toch eenmaal bent, vooral door naar die andere eilanden waar het evenzeer ritselt en vonkt van fantasierijke architectuur (de Scheepstimmermanstraat op Borneo!) en magische doorkijkjes.

De eilanden van het Oostelijk Havengebied voor een middagje opgewekte melancholie. Ik wil er niet wonen, ik wil er naar kunnen uitwijken.