De angst van Szabó voor assimilatie

The Pianist is misschien niet de beste film die Roman Polanski ooit maakte, maar wel de belangrijkste, omdat hij er eindelijk in slaagde zijn persoonlijke demonen uit de zwartste periode van de twintigste eeuw direct in een film te vertalen. Hij zou er na de Gouden Palm en verschillende andere bekroningen ook een Oscar voor verdienen.

Zijn even joodse en door de recente geschiedenis geobsedeerde generatiegenoot uit Midden-Europa István Szabó (Boedapest, 1938) won geen Oscar voor Sunshine, een vergelijkbaar epos dat alle lijnen uit een rijk oeuvre samenknoopt. De film kwam uit in 1999 en de Canadees-Hongaars-Oostenrijks-Duitse coproductie bereikt nu met forse vertraging de Nederlandse bioscopen. Tegen de uit drie delen opgebouwde film van drie uur, die met een proloog en een epiloog anderhalve eeuw beslaat (1840-1989), zijn wel wat bezwaren aan te voeren. Toch is het een machtige film, gebaseerd op een origineel scenario van Szabó en de toneelschrijver Israel Horovitz, waar nauwelijks losse eindjes uitsteken, juist omdat er geen vuistdikke roman tot bioscooplengte gecomprimeerd hoefde te worden.

Sunshine behandelt de overlevingsstrijd van de Hongaarse joodse familie Sonnenschein, waarvan per generatie een zoon gespeeld wordt door Ralph Fiennes. Ignatz Sonnenschein, de zoon van een naar de stad gekomen succesvolle likeurstoker, verandert als veelbelovend jurist aan het einde van de 19de eeuw zijn naam in Sors, Latijn en Hongaars voor noodlot. Door zich te assimileren denkt hij carrière te kunnen maken in de liberale dubbelmonarchie, maar het antisemitisme van staat en burgerij bezorgt hem toch zijn ondergang.

De geschiedenis herhaalt zich twee keer, wanneer zijn zoon en kleinzoon zich aanpassen aan respectievelijk het fascistoïde Horthy-regime en de communistische dictatuur. Of je nu olympisch schermkampioen wordt in Berlijn, 1936, of officier bij de stalinistische geheime politie, vroeger of later ben je toch weer een stinkjood, zo luidt de boodschap van Szabó's film. In dat geval is het dus beter je ware aard niet te verloochenen, zoals Valerie Sonnenschein-Sors, Ignatz' nichtje, pleegzuster en echtgenote. Haar personage wordt verbluffend en innemend gespeeld door Jennifer Ehle, en op oudere leeftijd door Rosemary Harris, in werkelijkheid Ehle's moeder.

Je zou Sunshine kunnen zien als het noodzakelijke complement op Szabó's trilogie uit de jaren tachtig, Mephisto, Hanussen en Oberst Redl, waarin Klaus Maria Brandauer in verschillende historische perioden een opportunistische conformist speelde. Door dit conformisme nu in een dichter bij zijn eigen milieu gesitueerde familie te plaatsen, verraadt Szabó zijn grootste angst, het verlies van identiteit door assimilatie.

Ook Szabó de charmeur, de bewonderaar van vrouwelijke vitaliteit komt in Sunshine volledig tot zijn recht; alle drie de personages van Fiennes worden begeerd door sterke vrouwen, die het nakijken hebben, omdat de mannelijke held bezig is met het verwerven van een maatschappelijke positie, en dus met de `verkeerde' manier van overleven.

De dure productie trekt alles uit de kast om het de kijker naar de zin te maken: voortreffelijk acteren, betoverend, slechts bij uitzondering gelikt camerawerk van Lajos Koltai en een knappe soundtrack van Maurice Jarre. Het is een film om in weg te glijden: je vergeeft Szabó, net als Polanski, graag een incidentele vette uitglijder in de richting van sentiment en cliché.

Sunshine (A napfény íze). Regie: István Szabó. Met: Ralph Fiennes, Jennifer Ehle, Molly Parker, Rosemary Harris, James Frain, Deborah Kara Unger, William Hurt, Rachel Weisz, Miriam Margolyes. In 7 bioscopen.