Schrijver van het absolute

Gisteren werd bekend dat vorige week donderdag de Franse schrijver en essayist Maurice Blanchot is overleden, op 95-jarige leeftijd. De late bekendmaking lijkt typerend voor Blanchot, die zich al jaren buiten alle publiciteit hield, een incidentele ingezonden brief daargelaten. Recente foto's zijn van hem niet in omloop. Toen vijf jaar geleden in Parijs zijn negentigste verjaardag werd gevierd, was iedereen er, behalve de jarige zelf. Als een levende dode cijferde hij zich weg voor zijn werk, waarin de dood niet toevallig een belangrijke rol speelt.

,,Wanneer wij spreken, buigen we ons over een graf'', schrijft Blanchot in het programmatische slotessay La littérature et le droit à la mort van de bundel La part du feu uit 1949. Om de dingen te kunnen benoemen, moeten ze eerst worden ontkend als wat ze zijn, of zoals Blanchot het ietwat pathetisch noemt: ze moeten eerst worden ,,gedood''. Aan de taal, met zijn zin en betekenis, gaat iets vooraf dat juist door de woorden aan het oog wordt onttrokken. En dáárop dient de literatuur zich te richten, aldus Blanchot, voor wie de literatuur met niets minder dan het ,,absolute'' genoegen zou mogen nemen.

Dat heeft geresulteerd in een reeks hoogst onconventionele, vaak zeer duistere romans en verhalen, waarvan niettemin een geheimzinnige aantrekkingskracht uitgaat. Twee ervan, Thomas l'obscur (1941) en L'arrêt de mort (1948), zijn in het Nederlands vertaald, maar een lieveling van het grote publiek is hij ook bij ons niet geworden. Blanchot is altijd een schrijver voor schrijvers geweest, en voor filosofen. Sommigen van hen behoorden ook tot zijn persoonlijke vrienden, zoals Emmanuel Levinas (die hem het werk van Husserl en Heidegger leerde kennen) en Georges Bataille, terwijl zijn eigen werk grote invloed heeft gehad op latere denkers en schrijvers als Michel Foucault en Jacques Derrida.

Misschien zijn de essays die hij over anderen heeft geschreven nog het meest toegankelijk, essays over onder meer Sade, Lautréamont, Hölderlin, Rilke, Mallarmé en Kafka. Aan de hand van even grondige als eigenzinnige analyses van hun teksten slaagde hij erin ook zijn eigen literaire opvattingen te verwoorden. Zo verhelderen de essays de romans, en omgekeerd.

Hoewel Blanchots oeuvre op het eerste gezicht de indruk wekt van een volstrekt in zichzelf gekeerd, hermetisch geheel, is het niet zo dat de schrijver zich altijd angstvallig van de buitenwereld heeft afgewend. Een van de grote paradoxen van Blanchots leven is dat hij óók een politiek geëngageerd auteur is geweest. In de jaren dertig schreef hij voor extreem-rechtse kranten en tijdschriften, tegen de democratie, tegen het Volksfront en (uit nationalistische motieven) ook tegen het Duitse nationaal-socialisme; in de late jaren vijftig komen we hem aan de uiterste linkerzijde van het politieke spectrum tegen, pleitend voor een absolute `weigering' tegen de politiek van De Gaulle. Als de `great refusal' zou deze weigering een paar jaar later haar plaats vinden in Herbert Marcuses Onedimensional man (1964).

Zowel in politiek als literatuur weigerde Blanchot genoegen te nemen met de wereld zoals deze zich in zijn alledaagse gedaante aandiende, telkens vanuit een ongeneeslijke hang naar het Absolute, het Andere, het Buiten. Na de Tweede Wereldoorlog vond hij dat absolute, als een verpletterende `absolute gebeurtenis', terug in de Holocaust, waarop elk schrijven volgens hem gedoemd was stuk te lopen. Nergens blijkt dat duidelijker dan in L'écriture du désastre (1980), een indrukwekkende verzameling verbale scherven en fragmenten, die de catastrofale `gebeurtenis' omcirkelen en daardoor als catastrofe intact laten. In dit boek vinden we ook het motto dat boven al Blanchot's werk had kunnen staan: ,,Weet wat er is gebeurd, vergeet het niet, en tegelijkertijd zul je het nooit weten''.