Meer kwaliteit door meer mensen in klas

De extra investering in kleinere groepen in het basisonderwijs werpt vrucht af. `Meer handen in de klas' leidt tot meer kwaliteit van het onderwijs in de onderbouw: er is meer aandacht voor individuele leerlingen en de werkdruk voor leerkrachten is afgenomen.

Dat staat in de voortgangsrapportage Groepsgrootte en kwaliteit die minister Van der Hoeven van Onderwijs gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Het onderzoek is uitgevoerd door de Inspectie van het Onderwijs. In oktober 2002 bestond de gemiddelde groep in de onderbouw van het basisonderwijs uit 20,9 leerlingen. In 1998 – het project groepsgrootte en kwaliteit begon in 1997 – was dat 24,6. Aan het einde van dit schooljaar eindigt het project en is de beoogde verhouding tussen personeel en leerlingen 1:20. Het is nog niet duidelijk of dit streefgetal wordt gehaald.

Het project kost 636 miljoen euro per jaar. Met dat geld is met name meer extra personeel aangetrokken. Naast de reguliere groepsleerkracht heeft zo'n 85 procent van de scholen een coördinator onderbouw (bijvoorbeeld intern begeleider of ICT-coördinator). Zo'n 75 procent zet extra onderwijzend personeel in en zo'n 57 procent maakt gebruik van meer handen in de klas (onderwijsassistent, leraar in opleiding, zij-instromers). Volgens de Onderwijsinspectie leidt de inzet van meer handen in de klas er toe dat leraren beter in staat zijn het onderwijs af te stemmen op de individuele behoeften van leerlingen. De verhouding tussen het aantal personeelsleden en het aantal leerlingen is hierdoor niet 1 op 20,9 maar gemiddeld 1 op 18,9. In kleinere groepen is meer interactie tussen leraren en leerlingen. Vooral zwakkere en begaafde leerlingen lijken hiervan te profiteren.

Tot nu was het geld gereserveerd voor de onderbouw van het basisonderwijs. Het kabinet heeft een wetsvoorstel ingediend waardoor scholen per 1 augustus kunnen kiezen of ze het gebruiken voor extra personeel in onder- of bovenbouw.