Kwestie Irak 2

In een paginagrote bijdrage (NRC Handelsblad, 22 februari) wordt terecht gesteld dat het niet zozeer de vraag is òf olie een rol speelt in de oorlog tegen Irak, maar welke. Eén factor zien de auteurs echter over het hoofd en daardoor berust de conclusie van het verhaal op los zand.

Het is belangrijk erop te wijzen dat het voor de Verenigde Staten niet alleen gaat om het veiligstellen van de eigen voorziening, maar ook en wellicht zelfs vooral om de controle over de olie om daarmee potentiële (of actuele) rivalen de voet dwars te kunnen zetten.

Het is onbegrijpelijk dat hier niet de rol van China naar voren wordt gebracht. Op dit moment voert dit land al zestig procent van zijn olieverbruik in uit de Perzische Golf en in de komende twintig jaar kan dat percentage oplopen tot tachtig à negentig procent.

Om te voorkomen dat een land als China uitgroeit tot een economische wereldmacht is controle over de olie in het Midden-Oosten van Amerikaans levensbelang. Mocht de oorlog verlopen zoals door sommigen gewenst, dat wil zeggen dat Irak verandert in een Amerikaans bastion in de Arabische wereld, dan hangt China's economische ontwikkeling voor een belangrijk deel af van Washington. Dat is precies wat Wolfowitz voor ogen had toen hij het medio 2001 had over ,,area denial and anti-access strategies''.

India en enkele andere industrialiserende landen in Azië zouden eveneens het slachtoffer kunnen worden van een dergelijk beleid. En wat te denken van Europa en Japan? Beide zijn vele malen afhankelijker van olie-importen uit het Midden-Oosten dan de Verenigde Staten en zullen vaker naar het pijpen van Washington moeten dansen dan hen lief zal zijn.

De conclusie dat er ,,in Irak straks genoeg plaats is voor iedereen'' (bij monde van Coby van der Linde) is dan ook hoogst voorbarig.