Geef minder hulp via Wereldbank

Het maatschappelijk draagvlak voor ontwikkelingshulp vertoont scheuren. Bijstelling van de hulp is urgent. Armoedebestrijding moet eindelijk eens prioriteit krijgen, vindt Jan Breman.

De tijd dat het budget voor ontwikkelingshulp van alle bezuinigingsaanslagen verschoond bleef, lijkt voorbij. P. Emmer constateerde op de Opiniepagina van 18 februari dat de grote bedragen die onder dit hoofd zijn uitgegeven, geen duurzame economische groei hebben teweeggebracht. Volgens hem is het zinloos nog langer door te gaan met het geven van geld voor een doel dat niet bereikt is, of zal worden. Zijn betoog staat of valt met de stelling dat armoedebestrijding de enige of zelfs voornaamste doelstelling is geweest voor ontwikkelingshulp. Dat is niet zo.

Ten tijde van de Koude Oorlog was die hulp een instrument om derdewereldlanden in het westerse kamp te brengen of te houden. Schenkingen om politieke reden gegeven, en niet overdrachtsbetalingen, hebben sterk bijgedragen aan de economische groei van Japan, Taiwan en Zuid-Korea. Een ander motief was het aanhouden van banden met voormalige koloniale bezittingen. De voorrang die Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen in het Nederlandse beleid kregen, vloeide hieruit voort. Het was bovendien geen gulheid die bedoeld was ter compensatie voor de rijkdom en vrijheid die eeuwenlang aan deze landen was ontnomen. Een schuld in die zin is door de voormalige koloniale mogendheden nooit erkend.

Een rode draad in de hulpverlening is bovendien geweest dat de gever er zelf ook beter van mocht worden. In al deze opzichten heeft ontwikkelingshulp stellig meer opgeleverd dan in de rekening zoals Emmer die heeft opgemaakt. Maar inderdaad, van dit batig slot is armoedebstrijding niet een belangrijk onderdeel geweest.

Ontwikkeling kan slechts de uitkomst zijn van de eigen inspanning van landen en volken die een achterstand hebben opgelopen, meent Emmer. Zij moeten navolgen wat ook de ontwikkelde landen zonder hulp hebben gedaan. De grote sprong voorwaarts van deze laatste in de negentiende eeuw vond, althans volgens hem, plaats op basis van het vrije verkeer van goederen en migranten.

Een merkwaardige uitspraak. Handels- en productiemonopolies waren immers wezenlijk voor koloniale overheersing. Ook de massale verplaatsing van arbeid gebeurde op het zuidelijk halfrond vaak niet in vrijheid maar gebondenheid. Vrije marktwerking is in ieder geval het recept dat Emmer als aanhanger van de neo-liberale leer aanprijst om de huidige ongelijke internationale verdeling van welvaart te verminderen.

Volgens Emmer zou het vrijkomende budget voor ontwikkelingshulp besteed moeten worden aan de herstructurering van onze eigen economie. Omvangrijke subsidies zullen nodig zijn om de nadelige gevolgen van de ongehinderde toegang van goederen uit lage lonenlanden het hoofd te bieden. Op die manier onze voorsprong in de vergaarde rijkdom te behouden is in de logica van Emmer pas echte ontwikkelingshulp. Van vrijmaking van het arbeidsverkeer kan geen sprake zijn. Weliswaar heeft in de negentiende eeuw het vertrek van tientallen miljoenen migranten de economie van Europa versterkt, maar voor de derde wereld zou dat momenteel onnodig zijn. Emmer wil toch de mogelijkheid openlaten voor tijdelijke migratie uit derde wereldlanden. Niet alleen omdat hun overgemaakt spaargeld de ontwikkeling in de thuislanden ten goede komt, maar ook omdat Europa dit werkvolk niet kan missen.

Het is niet waar dat de ontwikkelingsgang in het verleden, zoals door hem weergegeven, de juistheid van zijn zienswijze illustreert. Hij wekt niet de indruk de ontwikkelingspraktijk in de landen waarover hij schrijft, intensief en aanhoudend te hebben gevolgd. Zeker, je hoeft er niet geweest zijn om erover te kunnen oordelen, maar het helpt natuurlijk wel. Wat opvalt in zijn betoog is de eurocentrische kijk die eraan ten grondslag ligt.

Het is niet verwonderlijk dat staatsecretaris Van Ardenne zich tegen het voorstel voor afschaffing van ontwikkelingshulp keert (Opiniepagina, 20 februari). Toch mist ook haar argumentatie om gewoon door te gaan overtuigingskracht. Behalve vrije marktwerking somt zij het hele scala op van infrastructurele en institutionele voorzieningen zonder welke armoedebestrijding weinig kans van slagen heeft. Daaronder vallen, behalve scholing, gezondheidszorg en andere publieke investeringen in sociaal kapitaal, natuurlijk alle kenmerken die worden samengevat onder het begrip goed bestuur. Dat laatste is immers een ijkpunt geworden in de Nederlandse hulpverlening.

Maar het kost weinig moeite om duidelijk te maken dat dit in de uitvoeringspraktijk niet gebeurt. Van Ardenne stelt dat met de hernieuwde hulpverlening aan Indonesië goede resultaten zijn geboekt. Het aantal armen zou weer flink zijn gedaald. Ik neem aan dat de bewindsvrouw deze informatie ontleent aan de Wereldbank, de zelfde bron die eerder prat ging op de enorme vooruitgang geboekt in de armoedebestrijding onder het Suharto-regime. Na diens val is economisch herstel voor de grote massa van de werkende bevolking uitgebleven. Nog maar enkele dagen geleden verklaarde de naaste adviseur van Megawati en tevens minister voor Nationaal Ontwikkelingsbeleid Kwik Kian Gie dat Megawati aan het hoofd van een partij staat die corrupter is dan welke andere ook. Voorts ontbreekt het in Indonesië aan goed bestuur waar het om arbeidsrechten gaat.

Nog een voorbeeld. In India is Gujarat één van de weinige deelstaten waarop de Nederlandse hulp zich richt. In die bijstand is geen wijziging gekomen toen begin vorig jaar een pogrom uitbrak waarvan naar schatting tweeduizend moslimburgers het slachtoffer zijn geworden. Toen de pogrom begon kwam de politie op straat niet om de slachtoffers te verdedigen, maar om her en der behulpzaam te zijn bij hun vervolging. Zulke grove schendingen van mensenrechten en van de regel van goed bestuur zou tenminste tot opschorting van de ontwikkelingshulp moeten leiden. Dit is tot de dag van vandaag niet gebeurd. Zelf ben ik dus ook sceptisch over de stelling dat ontwikkelingshulp moet, juist nu.

Bijstelling van de ontwikkelingshulp is urgent want het maatschappelijk draagvlak ervoor vertoont krimp en scheuren. Ter rechterzijde komt dit tot uiting in pleidooien met als strekking: eigen volk eerst. De politieke steun aan deze oproep blijkt uit de omvang van bezuinigingen waarvoor LPF en VVD zich uitspraken in de opmaat van het nieuwe kabinet dat hen voor ogen stond.

Armoedebestrijding moet de voornaamste doelstelling van ontwikkelingshulp worden. Waarachtiger uitvoering van die opdracht vergt een kritische heroverweging van de uitbesteding van het ontwikkelingsfonds aan transnationale monetaire instellingen, met name de Wereldbank. Die uitbesteding heeft ertoe geleid dat de Nederlandse politiek geen greep meer heeft op de sturing van het overgrote deel van de hulp, met als gevolg dat de besteding ervan niet in het teken staat van armoedebestrijding. Dat was ook in het verleden niet het geval en de indruk dat dit nu wel zo is, komt neer op fluiten in het donker.

Prof.dr. J. Breman is emeritus hoogleraar vergelijkende sociologie i.h.b. van niet-westerse gebieden en verbonden aan de Amsterdamse School voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek.

www.nrc.nl/discussie Is ontwikkelingshulp nog van deze tijd?