Anne

Een halfjaartje geleden moesten we onze zwerfkat Neeltje definitief teruggeven aan de dierenarts van wie we haar hadden gekregen. We kregen niet voldoende greep op haar, ook in de meest letterlijke zin, wat bijvoorbeeld betekende dat medische verzorging praktisch onmogelijk was. Neeltje woont nu met een groot aantal katten samen en handhaaft zich goed, al blijft ze uiterst eigenzinnig.

Door een ironisch toeval konden we bij de dierenarts meteen een andere poes meenemen. Een twee jaar oude cyper die door een echtpaar in de wachtkamer te vondeling was gelegd. `Vondeling' had de arts ook op haar kooi geschreven.

Het leek ons een mooie achternaam, waarbij maar één voornaam paste: Anne, naar de voormalige PvdA-leider, die zelf ook een vondeling was. Nee, dat was geen verzetsdaad van ons tegen de tijdgeest, ook al was het in die dagen in Nederland wat normaler om je huisrat naar een socialist te vernoemen.

Hoe is het haar (en ons mét haar) intussen vergaan? Even moeizaam als destijds met Neeltje?

Gelukkig niet.

Anne past zich aan, burgert in, integreert, assimileert, noem het maar op, zo goed als ze maar kan. Bij haar geen agressie die zich onverhoeds tegen je kan keren, geen onverklaarbare urinelozingen op de bank.

Maar dat dergelijke afgedankte katten, net als mensen, een traumatisch verleden kunnen hebben, bewijst ook Anne. Ze vertoont althans trekjes die we nooit eerder bij onze katten hebben meegemaakt.

Er ligt nog steeds een schaduw van schichtigheid en angst over haar gedrag. Bij vreemd bezoek verdwijnt ze onmiddellijk naar een andere kamer. Ze is schrikachtig, voelt zich snel ingesloten en bedreigd, en ze reageert volstrekt hysterisch op de aanblik van katten voor het raam. Dan drijft ze haar nagels diep in het hout van de vensterbank, gooit alles eraf (gelukkig ook dat lelijke stenen beeldje waar mijn vrouw om nostalgische redenen nogal aan gehecht was) en blaast en krijst net zo lang tot de verbijsterde medekatten zijn afgedropen.

Nog merkwaardiger is haar zogeheten schootgedrag. Eigenlijk mag het bij haar die naam niet hebben. Zij is onze eerste kat die niet goed op schoot durft. Ze aarzelt en blijft aarzelen. Zou ik? Ze kruipt in de holte van je arm, legt voorzichtig een poot op je dijbeen en, toemaar, soms ook de andere poot. Ze snort erbij en lijkt dus te genieten, maar dan schrikt ze opeens van zichzelf alsof ze denkt: wat lig ik hier klef te liggen?

Ze staat op, klimt over je schoot en gaat aan de andere kant liggen, waar zich het tafereel herhaalt. Deze wisselingen van been kunnen een minuut of tien doorgaan tot ze er zelf moe van wordt en verdwijnt. Maar ze zoekt ons wel steeds vaker en langer op, alsof ze langzaam went aan het idee dat sommige mensen nu eenmaal zo gek zijn om, naast gratis kost en inwoning, ook hun lichaam als een warm kacheltje aan een dier aan te bieden.

Maar in de eerste plaats zijn we speelkameraden voor haar, want dat is wat ze het liefste doet: met enorme sprongen achter touwtjes en nepmuizen aanzitten. Ze bezorgt ons steeds een schuldgevoel als we niet op haar uitnodiging ingaan. Dan moppert ze miauwend door het huis: jullie wilden me toch zo graag? Nou dan!

Katten zijn de ergste chanteurs ter wereld.