Voetballen op gevoel

Het was adembenemend. Zo'n klein Ajax-mannetje dat de door mij al jaren bewonderde Frans-Ghanese, 1 meter 93 lange reus van Arsenal Patrick Vieira als een horzel bestookte en zowaar af en toe te snel af was. Ik kende hem wel, die kleine met de pijpenkrullen. Steven Pienaar heette hij, twintig jaar, afkomstig uit Johannesburg, uit een van de armste en gewelddadigste sloppenwijken ter wereld, Westbury. Vooral in Amsterdam werd Pienaar beschouwd als een uitzonderlijk voetbaltalent.

Uitzonderlijk zijn talenten al gauw in de ogen van aanhangers van Ajax. De ene is nog niet doorgebroken en al verkocht of de ander heeft zijn aanleg toch niet kunnen waarmaken, is al van de hand gedaan of herstelt bij een tweederangs club van een vroeg opgetreden slijtage. Cedric van der Gun, wie is dat ook al weer? Richard Knopper, eens regelmatig een matchwinner. Ze stonden nog geen jaar geleden op covers van populaire voetbalblaadjes en sportkaternen. Ze waren geen uitzonderingen. In de waan van de dag worden jonge talenten regelmatig de hemel in geprezen en zeker niet alleen bij Ajax nog voordat ze een internationale prijs hebben gewonnen of meer dan één seizoen hebben uitgeblonken.

Dus rijst de vraag of Pienaar over twee jaar ook niet is vergeten, door de voetballiefhebber in het algemeen en de Ajax-aanhanger in het algemeen. Nu nog wordt het levensverhaal van de kleine Zuid-Afrikaan aangewend om hem een grote toekomst te voorspellen. Want wie zoals Steven Pienaar de armoe heeft gekend, het leed van de wereld in alle vormen om zich heen zag, de keuze had tussen opgroeien in een jeugdbende en voetballen op straat, en steevast is blijven geloven in Gods gulle goedheid, zal er wel komen in de voetbaljungle. Dat is de heersende opvatting.

Wie heeft leren incasseren en overleven in de favelas van Rio of de sloppenwijken van Lagos en Johannesburg laat niet zo gauw zijn koppie hangen. Die is het gewend uitdagingen aan te gaan en laat zich niet intimideren door reuzen als Vieira of door welke mannen ook met een gevestigde naam. Die wordt niet moe van twee wedstrijden per week, die komt niet zeurend thuis als de trainer verbaal geweld heeft gebruikt. Ach, waren er alleen maar voetbaljongens als Pienaar, jongens die ten koste van alles willen winnen en ook fantastisch kunnen voetballen. Dan zou de voetbalwereld er veel aantrekkelijker uit zien.

Ze zijn er gelukkig weer, ook in Nederland. De Cruijffies, de straatvoetballers: Rafael van der Vaart, Nigel de Jong, de broertjes Boukhari, Robin van Persie, Arjen Robben, Wesley Sneijder en dan de Brazilianen en Afrikanen, zoals de Zuid-Afrikaan Pienaar. Ze hebben voetballen geleerd, al pingelend, al bluffend, al pratend, zonder wiskundige tactiek. Ze doen met de bal wat ze willen, ze voetballen op gevoel. Pas later leren ze dat in het beroepsvoetbal andere waarden en normen heersen, dat alleen het clubbelang telt, dat er een spelconcept is dat door de trainer en zijn assistenten nauwgezet is uitgedacht. Ze krijgen op hun donder omdat ze niet luisteren naar de regels van de gevestigde orde en moeten zich aanpassen aan traditionele opvattingen. Dat voetbal een teamspel is.

De kleine, iele Steven Pienaar laat zien dat voetbal het mooist is wanneer het wordt gespeeld door jongens die willen dribbelen, pingelen en scoren, jongens die uitgaan van individualisme, van eigen kunnen. Zoals Zidane, de straatvoetballer uit Marseille die 's werelds beste werd. Misschien wordt Pienaar ook zo'n grote. Patrick Vieira legde na afloop van Arsenal-Ajax zijn hand op Pienaars schouder en zei: `Jij wordt een grote'. Maar om een grote te worden, volstaat niet een paar goede wedstrijden of een compliment van een grote. Een grote is een speler die met grote regelmaat uitblinker is. Zoals Zidane of Vieira.