Stoephoer

Vorige week stonden er op één dag twee woorden in deze krant die je daar niet dagelijks ziet. Het ging om boerenlul en stoephoer. Boerenlul kwam voor in een citaat over Willem-Alexander, ons toekomstig staatshoofd. ,,Willem-Alexander'', zo citeerde het bericht, ,,maakte bij het verzamelen op de paleistrap Pieter van Vollenhoven uit voor boerenlul.''

Wie boerenlul op internet en in de woordenboeken nazoekt, komt tot mijn verrassing bij muziek en oude poëzie terecht. In 1685 blijkt Pieter de la Croix, toneelschrijver te Amsterdam, te hebben gedicht: ,,De zakpyp, boerelul, ô dat 's al myn plaizier/ Ik draayde gist'ren noch aan de Overtoom de lier.''

De la Croix heeft het hier over een boertige versie van de lulpijpe, een soort doedelzak. Er is een direct verband met de lul die Willem-Alexander bedoelt, zo schrijven de naslagwerken, want lullepijp werd in de loop van de tijd verkort tot lul, en ,,door de vormovereenkomst ontstond de betekenis `penis'''.

De eerste tien treffers bij Google betreffen allemaal cultureel erfgoed, te weten de rapsong `Een doodgewone boerenlul' van Osdorp Posse en `Ik ben een boerenlul' van Paul de Leeuw. Opmerkelijk genoeg blijkt het lied van Osdorp Posse allerlei verwijzingen naar het koningshuis te bevatten. Omdat misschien niet alle lezers van NRC Handelsblad vertrouwd zijn met Posse's repertoire, citeer ik hier uit het eerste couplet: ,,King of de koning op de microfoon/ Een ouwe houten stoel is mijn neukende troon/ Een baseballcap is mijn neukende kroon/ [...] Ik heb geen blauw bloed, alleen bruine poep,/ maar ik zit wel royaal in de hoogste groep.''

Stoephoer werd opgetekend uit de mond van columniste Pamela Hemelrijk van het Algemeen Dagblad. Als ik het goed begrepen heb wilde Hemelrijk een taart gooien naar een juryvoorzitter omdat zij het niet eens was met de jurering, en toen dit niet lukte maakte zij alle aanwezigen in het Haagse perscentrum Nieuwspoort uit voor stoephoeren. Zeg maar: gewone Haagse toestanden.

Ik had verwacht dat het woord stoephoer op internet veel zeldzamer zou zijn dan boerenlul, maar ik was – net als Willem-Alexander destijds – een beetje dom, want met stoephoer kom je in het domein van de seksindustrie terecht, en half internet lijkt daarmee gevuld. Er bleken alleen al drie concurrerende stoephoersites te bestaan (stoephoer.com, stoep-hoertjes.nl en stoephoer.tk) die ik iedereen kan afraden.

Volgens de Grote Van Dale is stoephoer een `gewestelijk' woord voor `straathoer'. Met gewestelijk bedoelt Van Dale dat het uit een dialect komt (welk dialect staat er niet bij) en dat het niet in de algemene taal gangbaar is. Maar volgens de Van Dale Hedendaags Nederlands is stoephoer geen dialectwoord en heeft het twee betekenissen, namelijk `tippelaarster' en `ordinaire del'.

Jammer genoeg komt stoephoer niet voor in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het historisch woordenboek van het Nederlands, waardoor het lastig is om vast te stellen hoe oud het is. Dat woordenboek vermeldt wel troshoer (een woord uit de 16de eeuw voor `hoer die meereisde met een tros soldaten'), toverhoer (een scheldwoord voor `heks' uit de 17de eeuw) en wafelhoer. Met wafelhoer hebben we nóg een woord te pakken waarvan het eerste lid van de samenstelling de locatie aangeeft waar de prostituee werkzaam is, in dit geval een wafelhuis of -kraam.

Ik krijg overigens de indruk dat stoephoer tegenwoordig vooral op z'n Hemelrijks wordt gebruikt, dus als scheldwoord. Hans Heestermans geeft in Luilebol! Het Nederlands scheldwoordenboek (1989) nog als toelichting: ,,Volgens een informant al vóór de oorlog in het joodse zakenleven gebruikt voor iemand die voor zijn winkel probeerde de klanten naar binnen te lokken, ook in de varianten stoepslet en stoepsnol.''

Vraag: wie weet hoe oud `starnakel' is en waar het vandaan komt? Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl