Koninklijk huis

De claim van het echtpaar De Roy van Zuydewijn-De Bourbon de Parme zal, volgens prof. Slagter, zijn gericht tegen de staat, in verband met de ministeriële verantwoordelijkheid voor het doen en laten van het koninklijk huis (NRC Handelsblad, 22 februari).

Het is vermetel om het tegen een hooggeleerde op te nemen, maar ik meen daar toch enkele kanttekeningen bij te moeten plaatsen.

Ten eerste: de ministeriële verantwoordelijkheid is een politieke of staatsrechtelijke. Het gaat om doen of laten van leden van het koninklijk huis, voorzover dat relevant is voor de uitoefening van het ambt van staatshoofd door de regerende koning(in). Wat het koninklijk huis i.c. ook moge hebben gedaan of gelaten, met het staatsrechtelijk aspect van het koninklijk huis heeft dat niets te maken.

Ten tweede: `de staat' valt niet samen met de politiek verantwoordelijke ministers. Deze ministeriële verantwoordelijkheid dient er slechts toe om, als dat nodig of wenselijk wordt geacht, ministers de politieke gevolgen (bijv. aftreden) te doen dragen van gedrag van een lid van het koninklijk huis dat staatsrechtelijk niet door de beugel kan. De staat als zodanig blijft daar volledig buiten. Consequentie van een en ander lijkt mij te zijn dat wanneer genoemd echtpaar schade meent geleden te hebben door doen of laten van het koninklijk huis, het de betreffende personen privaatrechtelijk kan aanspreken, en deze personen zich ook als privaatrechtelijke partij kunnen verdedigen.

Wie aan die mogelijkheid twijfelt wijs ik op het succesvolle privaatrechtelijk optreden van prins Bernhard en wijlen prins Claus tegen roddelbladen door wie zij zichzelf of hun kinderen geschaad achtten.