Geen rentmeesters maar uitbuiters

In het boek De ramp, over de watersnood van 1953 staan veel foto's van Zeeland en Zuid-Holland toen, met ernaast een foto, gemaakt door Gé Dubbelman, van dezelfde locatie nu. Natuurlijk laten de foto's uit 1953 veel ellende zien, kapotte huizen, modderige straten, verdronken land. Op de hedendaagse foto's is alles weer heel, het is er zelfs meestal zomer of nazomer, met veel weelderig groen. Toch is het vreemde dat je bijna steeds denkt: wat is dat land toch lelijk geworden. Dat Nederland. Hoe kan het toch dat zoveel dat vroeger op een heel eenvoudige manier mooi of smaakvol was, nu zo smakeloos eruit ziet, met schrille kleuren, deprimerende nieuwbouw, sierbestrating, schreeuwbelettering, stuc over bakstenen muren, overal uithangborden, luifels, lichtreclames, auto's en alles wat die nodig hebben aan parkeerplaatsen, asfalt, caravans en dergelijke.

Je mag nooit zeggen dat dingen slechter worden. Dat is pessimistisch en zuur en chagrijnig, dan idealiseer je het verleden op een ontoelaatbare manier. Het is Heel Fout om iets van vroeger beter te vinden. Maar als sommige dingen nu gewoon beter waren?

Iedereen met ogen in zijn hoofd moet toch kunnen zien dat er een heleboel landschap en stadsgezicht is dat er niet bepaald op vooruit is gegaan. Wie even een van de vele snelwegen oprijdt, ziet meteen hoe erg het geworden is. Trouwens, als je wandelt zie je het ook, want eens in de zoveel tijd stuit je altijd weer op een snelweg. En op die ellendige bedrijventerreinen met hun zielige mode-architectuur. Bernard Hulsman schreef er nog over vorige week op de Achterpagina, in zijn serie over de lelijkheid van Nederland: ,,Bedrijventerreinen zijn de treurigste oorden in Nederland. De verzamelingen vrijstaande bedrijfsgebouwen, vaak omgeven door afgesloten parkeerterreinen, vormen overal in Nederland deprimerende omgevingen.'' Hij wist ook uit te leggen waarom het zo gaat en concludeerde ,,alle logische en economische beslissingen waartoe de tucht van de markt de kantoorbouw noodzaakt zorgen tezamen voor een armzalig en zelfs absurd resultaat''. Zo is het maar net.

Er moet een of ander gevoel over het landschap verdwenen zijn en plaatsgemaakt hebben voor een ander gevoel. Misschien het pret-gevoel, dat hoor je nogal eens. Het vanzelfsprekende agrarische-gevoel is weg, het milieu-gevoel is uit.

Jaren geleden sprak ik de dichter Cor Jellema over zijn mooie gedicht `Kerkje van Fransum'. Het gaat over een niet langer in gebruik zijnd romaans kerkje op een Groningse wierde en in het gedicht wordt het kerkje `kleine sarkofaag van het geloof' toegesproken. Of eigenlijk worden aan het kerkje allemaal vragen gesteld, onder andere deze: ,,Kleine mummie van steen/ zonder hart, tabernakel/ zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je /met jouw lichaam ons landschap/ als bodem voor hemel?''

Hoe beschermt een kerkje een landschap?

Jellema zei dat de mensen het vanzelfsprekende respect voor de omgeving, de huiver om in te grijpen in het landschap verloren zijn. ,,In één generatie wordt een landschap totaal vernietigd en veranderd en vooral, in mijn ogen, verlelijkt. (...) Het respect dat men vroeger had voor de eigen omgeving is verdwenen en dat heeft ook te maken met het verdwijnen van het godsbesef. Dat houdt het respect levend, en het besef dat we meer rentmeesters zijn dan uitbuiters. Een kerk geeft nog uitdrukking aan het vroegere gevoel. Dat zit achter die vraag.''

Voor alle duidelijkheid: hij bedoelde beslist niet dat we allemaal weer ter kerke moeten gaan. Maar wel dat iets dat ooit vanzelf sprak, dat het land bij ons hoort en niet een leegte is die op een tekentafel naar believen ingevuld kan worden, weg is.

In Vrij Nederland schreef Diny Schouten vorige week over de boerenkool. `(Uitgestorven)' stond er achter het woord boerenkool. Echt waar. Wordt in Nederland vrijwel niet meer verbouwd. Moet uit Spanje komen, waar die beroemde vorst er helemaal niet overheen gaat, wel de kou van de vriescel. Raar hè. Nederland. Land van erwtensoep en boerenkool. Maar we willen die grote boerenkoolbloemen niet meer schoonmaken en die kool groeit zo traag in die kou, net als prei, spruitjes sommige bonensoorten, en als boer moet je spitten en geen haast hebben. Zo zijn onze boeren niet meer, behalve een enkeling.

In het februari/maart nummer van het tijdschrift Vogels (met altijd de mooiste vogelfoto's die zich denken laten) staat een stuk over de samenhang van bepaalde soorten landbouwbedrijf, landschap en vogelsoorten. Doordat er jarenlang enorme propaganda en subsidie is geweest voor grote boerenbedrijven met monocultuur zijn de gemengde bedrijven met hun weilandjes, schuren, akkertjes verdwenen. Met de kievit, grutto, watersnip en kemphaan gaat het ook niet zo goed meer. Heel die grote-bedrijvencultuur zorgt voor lelijkheid, lage kwaliteit, weinig diversiteit en een enorme vervoersstroom die slecht is voor dieren, slecht voor de kwaliteit van groenten en fruit en slecht voor het milieu. Het enige voordeel is weer zo'n typisch `tucht van de markt' voordeel: alles wordt goedkoop. Ook figuurlijk trouwens.

Nu het goede nieuws, ook uit het artikel in Vogels: de Europese landbouwcommissaris Franz Fischler wil subsidies op grootschalige landbouwproductie afschaffen en alleen inkomenssteun geven aan boeren die natuur en milieu sparen.

Jahaa! Steun Fischler!

Als we dan meteen een paar bedrijvenparken opdoeken en wat minder uithangborden en vlaggen ophangen, zorgzaam zijn voor mooie oude kerkjes, dan blijft dat gedicht van Jellema tenminste nazegbaar: ,,Stille klankkast voor buiten, voor grutto's/ in juni, het loeiende melkvee bij 't hek ''.