Bartoli zingt tussen het applaus en de ovaties door

Zó groot is in ons land het succes van de Italiaanse mezzosopraan Cecilia Bartoli met haar cd's en frequente optredens in het Amsterdamse Concertgebouw, dat het een wonder is dat ze tussen het applaus en de ovaties door nog toekomt aan zingen. Toch bracht ze gisteravond een recital met het klassieke aantal van 24 nummers, voordat de toch al uitbundige reguliere bijval overging in gescandeerd applaus, publiek voetgetrappel en het vanuit de zaal aanreiken van cadeaus en bloemen, die de klep van de vleugel vulden.

Na twee toegiften was iedereen geheel tevreden, het publiek èn Bartoli. Bescheiden èn terzake begeleid had ze opnieuw geglorieerd. Ze was voortreffelijk bij stem in haar ontwapenende optreden met temperament, wat gekkigheid en vaak verbluffende zang. Vooral in het oude repertoire demonstreerde Bartoli een helder stralende en moeiteloze zuivere hoogte.

Bartoli's programma was muzikaal zorgvuldig èn hoogst effectief samengesteld. Een hele avond Italiaans liedrepertoire uit drie eeuwen van een curieus gevarieerde keur van componisten: Caccini, Monteverdi, Vivaldi, Broschi, Beethoven, Schubert en Rossini. Langzaam en snel, opwinding en lyriek wisselden elkaar af. Maar in feite ging het om het verschil tussen de `nieuwe stijl' van Caccini en Monteverdi, waarbij het vooral om de tekst gaat, en de virtuoze stijl, met vooral vocaal spektakel.

Beethoven en Schubert kwamen op Italiaanse teksten tot een `gemiddelde' Italiaanse stijl, zonder binding met de rest van hun oeuvre. Italiaans, dat konden ze in Wenen óók. Net zoals Rossini een echt Spaans lied kon componeren èn een Franse smartlap over een zielig hongerig weesmeisje uit Tirol, dat van haar engelbewaarder fruit uit de hemel krijgt aangereikt. Bartoli jodelde hier mèt echo-effecten.

Het spektakeldeel met barok getierelier kreeg de meeste bijval, zoals Vivaldi's Armatae face et anguibus. Bartoli's tierende, stampvoetende woede kan vorige week aan het Oranjehof niet zijn overtroffen. Kwinkelerende coloraturen waren er in Son qual nave van Riccardo Broschi, de componerende broer van de legendarische castraat Farinelli. In Monteverdi's Maledetto sia l'aspetto bleek Bartoli een feeks. Ook in Schuberts Vedi quanto t'adoro klonk felle woede. Schubert kon dat óók.

Maar het mooist waren liederen van Caccini, zoals het fameuze Amarilli, en Monteverdi, zoals Si dolce è il tormento (Zo zoet is de kwelling) – een zeldzaam intens uitgesponnen afwisseling van stelligheid en twijfel.

Concert: Cecilia Bartoli (mezzosopraan), Sergio Ciomei (klavecimbel, fortepiano, piano) en Le Musiche Nove. Gehoord: 23/2 Concertgebouw Amsterdam.

    • Kasper Jansen