Spaar onze padden

Begin jaren '70 hadden we in de SP in Nijmegen een paar kameraden die biologie studeerden. Als wij 's avonds de buurt ingingen, gingen zij de Hatertse Vennen in. Als wij moesten colporteren, moesten zij doodgereden padden tellen. Wat een pover excuus om je af te melden voor de wereldrevolutie!

Nu ontdek ik tot mijn genoegen dat de twijfelachtige inzet van mijn partijgenoten destijds een heuse wetenschappelijke publicatie heeft opgeleverd.

Het ging om een wegvak waar niet meer dan tien auto's per uur reden, om het effect daarvan op de gewone pad, om te beginnen de vrouwtjes. Het aantal doden kon direct van het asfalt worden gelezen, het aantal overlevenden kon worden afgeleid uit de eisnoeren die werden afgezet in de nabijgelegen vennen. Zo (aangenomen dat het de mannetjes niet beter verging dan de vrouwtjes) werd vastgesteld dat van de padden die de weg overstaken, 30 procent om het leven kwam.

Tot zover Oecologia, Springer-Verlag, Berlijn 13/1973.

De meeste slachtoffers vielen op de Donderbergweg aan de zuidrand van het gebied. Verkeersbeperkende maatregelen bleken niet afdoende. Jarenlang zijn padden, kikkers en salamanders vervolgens in emmers overgezet door vrijwilligers.

In mei 2001 zag ik dat er permanente voorzieningen werden getroffen om de paddentrek te reguleren. Over een lengte van ruim 300 meter zijn aan weerszijden kniehoge schermen aangebracht, tamelijk onopvallend in het reliëf van het landschap. Op drie plaatsen is de rijweg ondertunneld met betonnen buizen waarin aan de bovenkant smalle roosters zijn uitgespaard; amfibieën houden er niet van om helemáál in het donker te trekken.

De materiaalkosten bedroegen 40.000 euro. Daarvan is tweederde gefinancierd door de gemeente Heumen in het kader van haar Landschapsbeleidsplan en de rest door de provincie Gelderland uit het Fonds Vernieuwing Landelijk Gebied. De werkzaamheden, manuren, kwamen weer voor rekening van de gemeente.

De gewone pad is overigens maar één van de profiterende soorten, en zeker niet de belangrijkste. Van de zestien amfibieën die we in Nederland kennen, komen er in de Hatertse Vennen elf voor en van deze elf trekken er negen over de Donderbergweg. Daarvan gelden kamsalamander en heikikker als zeldzaam en wordt de knoflookpad als bedreigd beschouwd.

Ikzelf behoor tot de zeldzame Nederlanders die ooit knoflookpadden hebben gehoord. Klokklokklok –ze roepen onder water. Ik heb er bij die gelegenheid zelfs een gezien, en dat was precies dáár, bij de Donderbergweg, achter het kantoortje van Staatsbosbeheer.

Het moet in 1989 zijn geweest. Ik herinner mij de avond, maar het dier herinner ik mij niet, ik kan het me niet voor de geest halen. Dat hij van porselein gemaakt leek, dat zijn huid met gele en oranje spetters bezaaid was, dat hij een perfect afgeronde snuit had en een stevig lijfje – ik heb het toen allemaal opgeschreven, maar deze beschrijving roept geen beeld op. Ja, zo heb je er ook weinig aan om een zeldzame Nederlander te zijn!

Ze ruiken natuurlijk naar ui.

Wilbert Bosman, dé knoflookpaddenman van ons land, heeft niet de indruk dat het ze goed gaat in de Hatertse Vennen. Hij loopt sinds '87 een vast traject door het terrein, zo'n twintig keer per jaar. ,,Vroeger vonden we er verscheidene op een avond, nu ben je blij als je er nog eens één aantreft.''

In veel vennen is het water te zuur voor de eitjes van amfibieën. Juist aan de zuidkant werd de invloed van zure regen geneutraliseerd door de aanvoer van kalk uit het omringende landbouwgebied. Maar hier dreigen de vennen te verlanden. Ze groeien dicht met riet en wilgenhout.

Buiten hun waterbiotoop zijn knoflookpadden erg op open zand gesteld. Ze gebruiken hun speciale graafklauwen om zich in te graven. Nu was er een ruiterpaadje, prachtig rul zand. Dan wordt dat paadje, met de beste bedoelingen uiteraard, uit de route genomen; het raakt overwoekerd en de knoflookpad verdwijnt, misschien naar elders, misschien naar God, wie zal het zeggen.

Vorig voorjaar hebben de voorzieningen aan de Donderbergweg hun waarde al bewezen. Theo Wijers, de boswachter, is er enthousiast over. Of ze het nou leuk vinden of niet, voorafgegaan door de verschillende salamandersoorten maken bruine kikker, heikikker, gewone pad, knoflookpad, rugstreeppad en groene kikker (in deze volgorde ongeveer) gebruik van de tunneltjes. Het is niet eens dat er minder padden worden doodgereden, er worden eigenlijk geen padden meer doodgereden.

En dan kunnen wij ons afvragen waarom die beesten per se aan de ene kant van de weg willen overwinteren, als ze zich aan de andere kant voortplanten, maar dat vragen zij zich helemaal niet af, zij denken niet in de ene en de andere kant van een weg, voor die beesten is het één terrein dat ze naar zijn volle geschiktheid gebruiken.

Aan asfalt zelf hebben ze trouwens helemaal geen hekel. Makkelijk begaanbaar, lekker overzichtelijk. Je kunt ze zich zelfs tijdens de trek zien oprichten om even van het uitzicht te genieten – wat een weg nog dodelijker maakt.

Theo Wijers nam me mee het gebied in. Ik dacht dat ik het wel kon dromen, ik heb er eindeloos rondgezworven en -gefantaseerd, maar hij wist me toch bij een vennetje te krijgen waarvan het bestaan me ontgaan was.

Ooit is dit landschap gevormd uit gedachtekronkels van de Maas: uit zand opgestuwde duintjes, op kleilagen gezekerde waterpartijen, hier en daar een heideveld. Begin vorige eeuw moet het nog volledig open zijn geweest, jubelende wulpen in de lucht. In het kader van de werkverschaffing werd er naaldhout aangeplant – Staatsbosbeheer. En meer recent hebben door wind en regen aangevoerde meststoffen de vegetatie flink aangewakkerd.

Nu wordt er al jaren aan gewerkt om het terrein weer open te breken. Ook deze winter:

70.000 euro uit het Overlevingsplan Bos en Natuur van de rijksoverheid. Vennen en duinkoppen worden vrijgesteld – van het werkwoord `vrijstellen': geboomte en struikgewas rooien om ruimte te maken. Vennen worden uitgebaggerd, oevers geschuind en bodemlagen afgevoerd.

Het ziet eruit als wegenbouw, dat soort machines, dat soort werk, maar het is natuurherstel. Meer licht en water voor de vennen, meer licht en zand op de duinkoppen. Een aantrekkelijker landschap voor de wandelaar, een leefbaar landschap voor de knoflookpad (en de levendbarende hagedis, en misschien de roodborsttapuit, en wie weet ooit weer de nachtzwaluw).

Het ven bevroren, de oevers kaal, het bos glinsterend van aangeslagen ochtendmist. De wereld leeg. Of nee, daar hippen een paar kramsvogels over de grond, daar gaat een onverstoorbaar groepje staartmezen door de bomen. Maar dat accentueert alleen die leegte maar.

Je kunt het niet geloven, maar je wéét het: straks is er opeens een avond van een graad of tien, dan nog een mild regentje erbij en het begint te bruisen, dan barst het toch weer los, het wonder van de paddentrek.

Terug gingen we langs de oostrand, de Parksesteeg. Daar is een dassenburcht, een dassentunnel, de fascinerende aanblik van drukbelopen wissels, hún wegenstelsel.

,,Hier worden nog veel padden doodgereden'', zei Theo Wijers. ,,Daar moeten we nog iets op verzinnen.'' Want je moet die padden wel min of meer gescheiden houden van die dassen. Anders worden ze niet massaal doodgereden maar massaal opgegeten. Aan alles moet je denken. Nederland in de 21ste eeuw, ieder dier zijn eigen infrastructuur.