Se non è vero

Een beetje verpozing konden we wel gebruiken. Het is goed om even de gedachten te verzetten in tijden van oorlog en geruchten van oorlog. Als de internationale verhoudingen schudden op hun grondvesten, als zich legers en vloten samentrekken, de wereld in gevaar is, Europa verdeeld, de NAVO in last, dan hebben wij altijd nog, bij wijze van afleiding, de mogelijkheid meesmuilend te grijnslachen over pikante perikelen in de koninklijke familie. Ik moet bekennen dat ik de nichtjes en neefjes van Oranje nooit goed heb bijgehouden. Ik had geen weet van een afgedwaald familieschaap dat in een Frans kasteeltje zit te mokken. `Holland in Not', luidde de kop boven het artikel in het Duitse weekblad Stern waarin prinses Margarita de vuile was buiten hing. ,,Tante Trix trinkt sehr viel Wein.'' Het is me wat, opoe. Holland in nood, laat me niet lachen, maar ik moet toegeven dat de klaagzangen van de verongelijkte prinses, hoe pijnlijk en verdrietig zoiets voor de met modder bespatte slachtoffers van familieroddel ook moet zijn, Holland nu al twee weken in hoge mate amuseren.

Het vermakelijkst is de parmantigheid van de reacties. Van de als Tweede-Kamerlid weggebonjourde royaltywatcher, pardon: staatsrechtdeskundige, Peter Rehwinkel moet premier Balkenende een bemiddelaar aanwijzen tussen Margarita en haar familie. Kofi Anan? Nelson Mandela? Max van der Stoel? De SP wil dat de minister-president in de Tweede Kamer opheldering verschaft. Wieviel Wein trinkt die Tante Trix? Kan de heer Balkenende bevestigen dat de prins van Oranje zijn oom Van Vollenhoven op de paleistrap `boerenlul' heeft genoemd? Rehwinkel en de SP zijn staatsrechtelijke non-valeurs. Margarita heeft, wat haar grieven jegens haar ouders, neven, tante of grootvader ook mogen zijn, geen positie waarvoor in de verste verte ook maar enige ministeriële verantwoordelijkheid geldt.

HP/De Tijd vult drie afleveringen met de leeglopende Margarita. Ik kan de redactie van het weekblad geen ongelijk geven. Amusementswaarde is ook een journalistiek criterium. Verhalen over het koninklijk huis verkopen. Het blad vliegt de kiosken uit. Er wordt in dit verband zelfs gesproken van Britse toestanden – het wel en vooral het wee van de Windsors is een onuitputtelijke money maker voor de tabloids – maar het verschil is dat de Britse sensatiepers miljoenen zou neertellen voor sappige inside stories, terwijl hoofdredacteur Henk Steenhuis me verzekerde dat HP/De Tijd de arme Margarita geen eurocent betaald heeft voor het verhaal. Hetzelfde geldt volgens hem voor Stern dat niet vies is van betalen, maar deze keer het chequeboek op zak zou hebben kunnen houden. De publicaties waren, bleek gisteren, de opmaat tot een `miljoenenclaim' van Margarita's echtgenoot De Roy van Zuydewijn die zich financieel benadeeld acht door een boycot waar de familie Oranje achter zou zitten. Een ordinaire poenkwestie dus. HP/De Tijd en Stern hebben zich simpeltjes laten gebruiken voor het uitoefenen van pressie op de koninklijke familie. Niet fraai, maar ja, de journalistiek kan zich niet al te zeer bekreunen om de – vaak opportunistische – motieven van nieuwsbronnen.

Toch valt er uit het oogpunt van journalistieke beroepsnormen wel het nodige aan te merken op de verhalen in HP/De Tijd. Dat is geen jalousie de métier. Per slot van rekening hebben alle kranten en omroepen de krenten uit het verhaal overgenomen. Had het weekblad de beweringen van de prinses moeten proberen te checken? Sommige dingen laten zich niet checken. Prins Willem-Alexander zou hebben beweerd dat Voltaire een dorp in Frankrijk is. Van zoiets kun je zeggen: se non è vero, è ben trovato. Maar specifieke beschuldigingen van afluisterpraktijken, het illegaal inzien van dossiers van de sociale dienst en pogingen bankafschriften te stelen mogen niet zonder nader journalistiek onderzoek worden afgedrukt, lijkt me.

Het klakkeloos publiceren van verhalen `van horen zeggen' neemt soms ziekelijke vormen aan. Zo viel in het Algemeen Dagblad (toegegeven: in een column, waarvan de auteur zich zonodig kan beroepen op satire of hyperbool) te lezen dat Wim Kok als minister-president heeft toegestaan dat Shell miljoenen tuinhekjes, tuinmeubelen, zelfs kinderspeeltoestellen heeft behandeld met giftig arseen, als gevolg waarvan in de toekomst miljoenen Nederlanders aan kanker zullen sterven. En voor zijn medeplichtigheid aan deze gewetenloze vergiftiging van het Nederlandse volk met kankerverwekkende stoffen is Kok door Shell beloond met een commissariaat. De bedenkster van deze complottheorie, Pamela Hemelrijk, is door het AD geschorst, omdat zij collega's had uitgescholden voor `stoephoeren', niet wegens de lasterlijke aantijging dat Kok is omgekocht en medeplichtig is aan massamoord op termijn.

Een oude regel in de journalistiek is dat je niets moet geloven, maar alles voor mogelijk houden. Dat dient dan wel te worden uitgezocht. Als iedere uitbarsting van paranoia zonder enigerlei verificatie wereldkundig wordt gemaakt – waarna de beschuldigde welwillend in de gelegenheid wordt gesteld het complot of de misdaad te ontkennen – kan het publiek op den duur niets meer geloven, ook niet de waarheid.

De serie in HP/De Tijd over de koninklijke familie, getiteld `Oranjebitter', markeert een omslag in de manier waarop in Nederland, althans in een deel van de media, over de monarchie wordt bericht. Toen er werkelijk wat te melden viel – denk aan het Lockheed-schandaal en aan de Hofmans-affaire – gedroeg de pers zich als een stel lakeien. In 1956 dreigde wegens een conflict tussen Juliana en Bernhard een constitutionele crisis. Dat was groot nieuws, dat in Duitsland door Der Spiegel werd gepubliceerd, maar de Nederlandse hoofdredacteuren besloten op verzoek van de regering het verhaal aan hun lezers te onthouden. De hoofdredacteur van de HP, G.B.J. Hilterman, overtrof iedereen in slaafsheid, omdat, zoals hij vele jaren later schreef, ,,land en volk er niet bij gebaat zijn als onthullingen het beeld van de constitutionele vorst ontluisteren''.

De omgekeerde beweging is nu voltooid. Maar de journalistieke revanche voor 1956 is tandeloos, omdat er deze keer nauwelijks hard nieuws te melden is, behalve dan dat een onbekende prinses haar familie uitkotst. In 1956 mocht Der Spiegel in Nederland niet worden verkocht. Importeur Van Ditmar besloot onder druk van het kabinet het blad niet te distribueren. Contrapunt anno 2003: in HP/De Tijd staat dat in Wassenaar één mevrouw vorige week de gehele oplage heeft opgekocht. ,,Probeert de RVD het artikel uit de schappen te houden?'', vraagt een lezer suggestief. Zoiets hoor je te checken voordat je het publiceert. Ik heb alle drie de verkooppunten van HP/De Tijd in Wassenaar naar die mevrouw gevraagd. De hele Wassenaarse `oplage', 38 exemplaren, was verkocht aan 38 verschillende mensen.