Prostaat 5

Met enige aarzeling reageer ik op de hierboven staande brief van een Nederlandse patiënt die in Frankrijk een kijkoperatie (laparoscopie) voor prostaatkanker heeft ondergaan. Deze reactie is noodzakelijk omdat de anoniem blijvende patiënt reageert op eerdere correspondentie over de beste behandeling van het lokaal beperkte prostaatcarcinoom waaronder ook mijn brief (W&O, 8 febr).

Ik wil beginnen door in te gaan op de laatste alinea van de brief waarin wordt gesteld dat de Nederlandse urologie zo snel mogelijk zou moeten trachten langszij te komen met Frankrijk wat de laparoscopische technieken betreft. Gelukkig kan worden herhaald dat de Nederlandse urologie daar druk mee bezig is. Het ligt niet voor de hand aan te geven welke urologische centra zich intussen hebben bekwaamd bij de uitvoering van de laparoscopische radicale prostatectomie. Wie deze correspondentie heeft gevolgd heeft de brief van dr. Hassankhan en dr. Westerhof gelezen en weet dat men voor de ingreep terecht kan in Coevorden/Hardenberg en in het Schepersziekenhuis te Emmen. De afdeling Urologie van het Erasmus MC heeft nog onder mijn leiding een medewerker gedurende 4 maanden gedetacheerd naar het Montsouris ziekenhuis in Parijs. Deze medewerker heeft na terugkomst de laparoscopische techniek in het Erasmus MC met succes geïntroduceerd. Natuurlijk heeft Frankrijk een voorsprong zoals die altijd ontstaat als een chirurgische techniek in bepaalde centra worden ontwikkeld.

Dit betekent echter niet dat er voorzieningen moeten worden getroffen dat Nederlandse patiënten in Frankrijk kunnen worden geholpen. Zoals ik eerder constateerde, de operatie kan in Nederland. Ik vind het spijtig als Nederlandse urologen met deze aandoening zich in Frankrijk laten opereren en hieraan bekendheid geven. Ik zou dat zelf niet doen en zou overigens ook niet kiezen voor de laparoscopische radicale prostatectomie om de redenen die later in deze brief worden aangegeven. Mijn reactie richtte zich overigens met name tegen de zin `Het probleem is dat er in Nederland niet één uroloog te vinden is die deze operatietechniek beheerst'. Ik ben blij dat deze indruk door de navolgende correspondentie is gecorrigeerd.

De resultaten zouden onderwerp tot een zeer uitgebreide discussie kunnen zijn. Ik ben gaarne bereid deze bij gelegenheid met de briefschrijver te voeren. In het kader van deze correspondentie is dat echter niet doenlijk. Sleutelwoorden die daarbij aan de orde zouden moeten komen zijn: patiëntenselectie, voorspelling van uitkomst, waarde van niet gerandomiseerd vergelijkend onderzoek.

Mijn terughoudendheid blijft bestaan wat de oncologische waarde van de ingreep betreft. We zijn in Rotterdam erg gelukkig met de uitkomst bij 298 van onze radicale prostatectomie patiënten die recent in het Journal of Clinical Oncology (Graefen et al 2002) werden gepubliceerd en waarbij bij een belangrijk slechtere uitgangspositie dan in de Franse reeksen 90.9% vrij van PSA progressie bleven over een periode van gemiddeld 27 maanden (41.9% Gleason graad >=7 en 14.1% PSA >=10.0 ng/mL etc.).

Ik ben het overigens eens met het commentaar van Hassankhan en Westerhof dat de Nederlandse budget situatie zich niet leent tot de snelle introductie van nieuwe operatieve technieken. Als men prostaatluchtbruggen samen met wetenschappelijk en medisch technologische achterstand in de toekomst wil voorkomen zal men op een flexibelere wijze moeten omgaan met de budgettering van met name operatietijd en personeel. Overigens: Hoe kan een nieuwe operatietechniek in Nederland worden geïntroduceerd als onze patiënten zich in Parijs laten opereren?