Oliepolitiek

Of een oorlog tegen Irak uitsluitend om olie gaat, is twijfelachtig. Of in het conflict olie een rol speelt, is ook niet de vraag, maar wel op welke manier. Hoe wordt de olie straks verdeeld? Wat doen de oliemaatschappijen? ,,Niemand heeft belang bij gedestabiliseerde oliemarkten.''

In tientallen hoofdsteden over de hele wereld liepen een week gelegen miljoenen demonstranten met leuzen als: `Geen bloed voor olie'. Maar een oorlog om Irak lijkt onafwendbaar. ,,We staan klaar'', zei donderdag de Amerikaanse minister van Defensie. De oliemarkten zijn al wekenlang hypernerveus. ,,De ware bedoeling is om een pro-westers regime te installeren, zodat de enorme olievoorraden in Irak goedkoop en probleemloos kunnen worden weggepompt,'' aldus een van de vele websites die tot aktie tegen de oorlog oproepen.

Of de oorlog inderdaad uitsluitend over olie gaat, zoals actievoerders beweren, is twijfelachtig. Maar dat de olievoorziening een belangrijke reden is om tegen Irak ten strijde te trekken, daarover bestaat weinig misverstand. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Jack Straw, noemde het ,,in stand houden van de Britse en de wereld-energievoorziening'' vorige maand nog een strategische topprioriteit. De Britse krant the Guardian haalde Britse ministers aan die anoniem verkondigden dat olie zelfs een belangrijker afweging vormt dan de massavernietigingswapens.

Coby van der Linde, directeur energie van Instituut Clingendael, herinnert het zich nog levendig. ,,Die eerste reactie van Bush senior na de inval van Irak in Koeweit: `wij kunnen niet accepteren dat Irak 20 procent van de wereldolievoorraad controleert en de positie van Saoedi-Arabië in de OPEC ondermijnt'. Dat was zijn eerste reflex, daarna sprak hij alleen nog maar netjes over de soevereine rechten van de Koeweiti's.''

De veilige energietoevoer uit het Midden-Oosten is een vitaal belang in Amerika's buitenlandse politiek. Goedkope benzine heeft in de Verenigde Staten een haast religieuze status. In 1999 bevestigde generaal Anthony Zinni, toen commandant van het Amerikaanse leger in die regio, tijdens een hoorzitting van het Congres nog dat ,,vitale belang'' voor de VS en zei hij dat de VS ,,vrije toegang moeten hebben tot de bodemschatten van deze regio''. Toen Bush junior begin 2001 aantradt liet hij zijn vice-president Cheney onmiddellijk een energierapport schrijven, met daarin een hoofdstuk over Irak. Washington maakte zich zorgen over de toenemende afhankelijkheid van de import van energie die in 2020 tweederde van de Amerikaanse consumptie zal bedragen. Op dat moment hoopten de VS nog op betere relaties met Irak, dat na Saoedi-Arabië de grootste oliereserves ter wereld heeft. Olie bovendien, die relatief goedkoop te winnen is, omdat het dichtbij het aardoppervlak zit. Maar 11 september gooide roet in het eten.

De grote Amerikaanse oliebondgenoot Saoedi-Arabië ontpopte zich als een anti-Amerikaans broeinest: het merendeel van de terroristen die de aanslagen pleegden bezat de Saoedische nationaliteit. De veiligheid van de energietoevoer bleek nog onzekerder te zijn. ,,Deze oorlog wordt natuurlijk voor een deel door de olie bepaald,'' zegt PvdA-buitenlandwoordvoerder Bert Koenders in de Tweede Kamer. ,,Het is duidelijk dat de VS belangen hebben bij een herverkaveling, en men maakt zich ook echt zorgen over Saoedie-Arabië.''

,,Op termijn heeft het Westen [en Japan] de olie uit Irak nodig,'' zegt Coby Van der Linde: ,,Met opdrogende bronnen in Alaska en de Noordzee is het toch wel vervelend als een belangrijke goedkope bron niet op de markt komt.'' De vraag is niet òf olie een rol in het conflict speelt, maar op welke manier. Welk spel wordt daarbij gespeeld in de internationale diplomatie? Hoe wordt de olie straks verdeeld? En wat doen de oliemaatschappijen om hun belangen veilig te stellen?

Officieel wachten de grote westerse oliemaatschappijen netjes af hoe een toekomstig Irak er uitziet na de val van Saddam Hoessein. Er is nog zoveel onzeker, heet het dan. Maar achter de schermen wordt al maandenlang koortsachtig geanticipeerd op het post-Saddam-tijdperk. Als je niet weet met wie je moet praten, praat je met iedereen, lijkt daarbij het motto. ,,Je kunt het je als oliemaatschappij eenvoudigweg niet veroorloven om er niet bij te zitten'', zegt Ben van Gils, hoofd van de Energiegroep van adviesbureau Ernst & Young Cap Gemini in Rotterdam.

Wie precies met wie praat wordt zorgvuldig geheim gehouden. Maar dat de verenigde oppositie van Irak in Londen al druk wordt bezocht door lobbyisten van de grote oliemaatschappijen, is duidelijk. En in Washington spraken in december de Iraakse oppositie, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en oliebedrijven over de heropbouw van de Iraakse olie-industrie. Ook vice-president Cheney zou in dezelfde periode een ontmoeting hebben gehad met Amerikaanse oliemaatschappijen waaronder ExxonMobil, ChevronTexaco en Halliburton waar hij destijds zelf de scepter zwaaide. ,,Amerikaanse bedrijven hebben een grote kans op Iraakse olie,'' zo liet de leider van het Iraqi National Congress (INC), Faisal Qaragholi, eind vorig jaar weten.

Dat soort geluiden maakt de Britse bondgenoot zenuwachtig. Ook zij leveren een flinke inspanning bij de plannen om Saddam met geweld te verjagen. Maar BP-topman Lord Browne vreest straks in het post-Saddam-tijdperk het nakijken te hebben. In oktober zei hij tegen journalisten: ,,We hebben duidelijk gemaakt dat we zeker willen stellen dat er, na een verandering in het Iraakse regime, een `level playing field' ontstaat voor de oliebedrijven die Irak in willen.'' Topman J. van der Veer van Koninklijke Shell zei vorige week tijdens de presentatie van de jaarcijfers iets soortgelijks: ,,Het zou een slechte zaak zijn als een nieuwe Iraakse regering landen zou uitsluiten''.

Of dat `level playing field' er zal komen is lang niet zeker. Olie maakt onderdeel uit van het geopolitieke steekspel, dat maar af en toe voor de buitenwereld zichtbaar wordt. In de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties staan Frankrijk en Rusland sceptisch tegenover de Brits-Amerikaanse aanvalsplannen. Oliebelangen worden ingezet om hen op andere gedachten te brengen. In The Washington Post van september vorig jaar zei voormalig CIA-topman James Woolsey: ,,Het is vrij simpel. Frankrijk en Rusland hebben oliebedrijven en interesses in Irak. Hen zou moeten worden duidelijk gemaakt dat als deze landen meehelpen om een nieuwe regering te krijgen in Irak, wij ons best zullen doen om zeker te stellen dat deze regering en de Amerikaanse bedrijven met hen samen zullen werken''.

Hebben de lobby-activiteiten van de oliemaatschappijen uiteindelijk invloed op de verdeling van de Iraakse oliereserves? Veel hangt af van de vraag wat voor soort regime in het toekomstige Irak aan het bewind komt, zeggen de meeste deskundigen. Krijgt Irak na de val van Saddam Hoessein snel een regering die een eigen koers kan bepalen? Of komt er een militaire bezettingsmacht onder leiding van generaal Tommy Franks, een `MacArthur van Mesopotamië' die de lakens uitdeelt? In dat laatste geval krijgen grote Amerikaanse en Britse oliemaatschappijen als ExxonMobil, Texaco en BP mogelijk extra kansen. ,,President Bush heeft werkelijk nog niets gedaan wat de oliemaatschappijen niet willen,'' zegt Van Gils. Hij wijst op het verdrag van Kyoto over het terugdringen van broeikasgassen, dat de regering-Bush niet heeft geratificeerd, op haar toestemming om in Alaska naar olie te boren, met alle milieurisico's van dien: ,,Dat voedt tenminste de gedachte dat die bedrijven er niet slechter van worden als de VS gaan proberen de marktwerking in het Midden-Oosten te herstellen.'' Van der Linde is nog uitgesprokener: ,,De Amerikanen en Engelsen zullen zeker iets voor zichzelf opeisen. Na zoveel inspanningen zullen ze niet willen zien dat alleen bedrijven uit andere landen in Irak voluit mogen investeren''.

Dit wordt misschien nog aannemelijker door de persoonlijke banden die er bestaan tussen de regering-Bush en de industrie. Zowel de president als de vice-president werkte jarenlang in de olie-industrie. Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice, een havik in het Irak-dossier, was vroeger directeur bij oliemaatschappij Chevron. In Groot-Brittannië bestaan zoveel personele banden tussen de regering en BP, dat het bedrijf in de pers al gekscherend `Blair Petroleum' wordt genoemd. En de Fransen en Russen zeggen heel openlijk dat de belangen van de eigen industrie bij hun politieke afweging worden meegenomen.

Maar hoe belangrijk de internationale politiek voor de oliemaatschappijen ook is, die realiseren zich dat ze straks weinig kunnen uitrichten zonder contacten met Iraakse oliespecialisten. Ben van Gils: ,,Ook als Irak voorlopig onder toezicht van de VN of de VS komt, kan men niet zonder lokale mensen. De Iraakse staatsoliemaatschappij werkt nu heel low profile. Maar dat zijn wel hele belangrijke mensen voor later. Dus daar proberen de maatschappijen contacten mee te onderhouden.'' Een ingewijde bij het olie-voor-voedselprogramma van de VN in Irak schat die groep op enkele tientallen. ,,Irak loopt niet over van jeugdige ingenieurs, er is een enorme kennisachterstand. Het zijn er nog wel enkele duizenden, maar mensen met kennis van zaken? Veertig, schat ik.'' In Bagdad heeft deze waarnemer de afgelopen periode verscheidene handelsdelegaties afspraken zien maken bij het ministerie van Olie.

De oliemaatschappijen vechten nu dus al om de buit, maar wat is er straks na de val van Saddam Hoessein te verdelen? De huidige toestand van de Iraakse olie-industrie valt nauwelijks met een pen te beschrijven. Een film uit 2000, gemaakt in opdracht van de VN, toont een troosteloos beeld: Tegen de heldere kleuren van de woestijn en de felle zon lijkt het in eerste instantie op een groot meer. Maar hoe dichterbij de camera komt, hoe duidelijker de zwarte kleur van het `water'. Dit is geen gewoon meer, maar een meer van olie, direct naast een olie-installatie.

Het filmmateriaal zou op de directiekamer van menig oliemaatschappij tot ontzetting moeten leiden. Twee oorlogen en jaren van sancties hebben diepe sporen achtergelaten. Op installaties zijn overal lekkende kranen te zien waar olie uit druipt en gas ontsnapt. Rondom de raffinaderijen wordt gelekte olie in brand gestoken, om er maar vanaf te zijn. Sommige delen van kranen en buizen zijn simpelweg verdwenen. Om het gebrek aan reserveonderdelen op te vangen hebben Iraakse technici stukken van de ene machine gesloopt om de andere maar op gang te houden. Dat het land dagelijks nog zo'n 2 miljoen vaten weer te produceren lijkt een wonder. ,,De staat van de Iraakse olie-industrie is abominabel, het hangt bij wijze van spreken met kauwgom aan elkaar'', aldus Van der Linde van Clingendael.

Hoe troosteloos de situatie nu ook mag zijn, de potentie van de oliewinning in Irak is vrijwel eindeloos. De oliereserves van het land worden geschat op 112 miljard vaten olie, 11 procent van de totale wereldvoorraad. Hiermee staat Irak op de tweede plek, na Saoedi-Arabië met 262 miljard vaten, maar voor de 99 miljard vaten van nummer drie, Iran. En dat zijn alleen nog maar de bewezen reserves. Van de plekken in Irak waar mogelijk olie ligt is er op 125 lokaties naar olie geboord en 90 daarvan bleken potentiële olievelden. Vorig jaar zei een hoge functionaris van het ministerie voor Olie dat de ,,Iraakse reserves de 300 miljard zullen passeren wanneer alle velden onderzocht zijn''.

Maar om al die rijkdom te onderzoeken en te activeren zal Irak hulp nodig hebben van buitenlandse oliemaatschappijen. En dat zou niet voor het eerst zijn. In 1925 geeft Irak dat onder Britse invloed staat een 75-jarige concessie aan de Iraq Petroleum Company (IPC). Dit consortium van Shell en de voorlopers van BP, ExxonMobil en het Franse Total zal de oliesector in het land decennialang controleren en de Irakezen slechts vergoedingen betalen voor de concessie. Pas nadat de Baath-partij van Saddam in 1968 de macht heeft gegrepen komt daar verandering in. Vier jaar later tekenen Irak en de Sovjet-Unie een samenwerkingsverband en de olie-industrie wordt genationaliseerd. Na heftige protesten binden begin 1973 de westerse oliemaatschappijen in en krijgen zij een schadevergoeding.

Sindsdien zijn de meeste westerse olieconcerns in Irak nog slechts in de marge aanwezig. Op de oliecrises van de jaren zeventig volgt vanaf 1980 een bloedige oorlog met Iran, die in acht jaar reusachtige schade aan de olie-installaties aanricht. Tijd voor reparaties is er nauwelijks, want in 1991 leidt de Iraakse inval in Koeweit tot grootscheepse geallieerde bombardementen van Irak waarbij olie-installaties niet worden ontzien. De sector ligt zo goed als lam en de productie daalt naar 300.000 vaten per dag.

Pas na 1995 komen de westerse oliemaatschappijen weer in beeld als de VN na jaren van sancties een olie-voor-voedsel-programma instellen. Daarmee hopen de VN de burgerbevolking van voedsel en medicijnen te voorzien en tegelijkertijd het grote oliegeld uit handen van Saddam te houden. ,,Toen Irak weer op de markt kwam in de jaren negentig hebben alle oliemaatschappijen opnieuw contacten gelegd met Bagdad, ook bedrijven als BP en Shell,'' zegt de ingewijde bij het VN-programma.

Lang duurt dat hernieuwde contact met de olieconcerns niet. In 1998 wijst Saddam de wapeninspecteurs uit en reageren de Amerikanen met bombardementen. Vanaf dat moment is het echt afgelopen met de Amerikaanse en Britse oliemaatschappijen en trekt Saddam nog meer toe naar Franse, Russische en Chinese concerns. Het is een strategische zet van de dictator, die ook de internationale politieke verhoudingen ernstig zal compliceren, en waarmee de Amerikanen en Britten nu rekening hebben te houden. Niet toevallig komen die olieconcerns uit de drie andere landen die permanente leden zijn van de VN-Veiligheidsraad met veto-recht. Zij hadden al reserves bij het Amerikaans-Britse optreden in Irak en verzetten zich tegen een aanval. In de Britse oliewereld wordt weliswaar met enige verontwaardiging gereageerd op deze koppeling van olie en politiek, ook al doet zij er zelf hard aan mee: ,,Ook de Franse en Russische regering hebben altijd gelobbied voor het verlichten van de santies, wat de mogelijkheid zou openen voor oliemaatschappijen om actief te worden in Irak,'' zegt een functionaris van BP die niet met zijn naam in de krant wil: ,,Er is een verbinding tussen deze lobbby en de oliemaatschappijen.''

De belangen zijn groot. De oliemaatschappijen die onder Saddam wel voet aan de grond krijgen vrezen dat hun lucratieve contracten samen met de dictator ten onder zullen gaan. ,,Saddam heeft er voor gezorgd dat de Amerikanen en Britten eruit zijn gewerkt en heeft de Fransen, Russen en Chinezen concessies gegeven'', zegt PvdA-kamerlid Koenders. ,,De vraag is of die concessies wel mochten in het kader van olie-voor-voedsel programma.'' Het Franse TotalFinaElf zou een akkoord hebben gesloten over de ontwikkeling van het grootste olieveld in het land, het Majnoon-complex nabij de grens met Iran dat 20 miljard vaten zou herbergen. De China National Petroleum Corporation kwam overeen om het North-Rumailah-veld tot ontwikkeling te brengen en het Russische Lukoil tekende in 1997 een contract om het enorme West-Qurna-veld te ontwikkelen. Het zijn overeenkomsten die pas kunnen worden uitgevoerd als de sancties zijn opgeheven. Het feit dat Bagdad de overeenkomst met Lukoil onlangs weer opzegde bewijst dat olie en internationale politiek dwars door elkaar heenlopen. Irak deed dat daags na het fiat van Moskou voor de laatste VN-resolutie tegen Irak en na berichten dat de Russen met de Amerikanen onderhandelden over hun steun bij het verdrijven van Saddam in ruil voor de erkenning van de Russische oliebelangen.

De eerste zorg van een volgend regime in Bagdad zal echter niet het aanboren van nieuwe reserves zijn, maar het herstel van de kapotte installaties. Een karwei dat volgens experts minstens 30 miljard dollar zal kosten, vooropgesteld dat een nieuwe oorlog niet voor extra schade zal zorgen. Volgens de bron bij het voedsel-voor-olie-programma zal Irak na de oorlog het `Marshall-plan' van eind jaren tachtig uit de kast trekken. Dat plan is destijds ontworpen om de productie weer terug te brengen tot het niveau van 1980, 3,5 miljoen vaten per dag, maar dat niet kon worden uitgevoerd. Pas daarna kan de export worden opgekrikt naar 6 miljoen vaten per dag, maar dat duurt volgens Fadhil Chalibi, hoofd van het Centre for Global Energy Studies in Londen en in de jaren tachtig minister van olie in Irak, nog vijf tot zes jaar.

Hoe snel de olie naar boven gehaald zal worden en welke rol de olieconcerns zullen krijgen, heeft ook te maken met de verhouding van het nieuwe Irak tot de OPEC. Het kartel, waarvan Irak een van de oprichters is en nog steeds lid, zal willen voorkomen dat Bagdad zoveel olie als het kan op de markt zal brengen, en zal het land binnen zijn invloedssfeer willen brengen. Over de vraag of dat zal lukken, zijn de deskundigen verdeeld: ,,Een pro-Amerikaans Irak zal een gedegen tegenspeler van de OPEC worden, daar ben ik van overtuigd'', zegt Bert Koenders. Maar Jason Kennedy, olie-analist bij ING Barings in Edinburgh, denkt dat de OPEC met quota's wel invloed houdt: ,,Niemand wil een gedestabiliseerde oliemarkt en deze kwestie heeft de potentie om dit te veroorzaken''. Stabiele prijzen zijn ook in belang van olieproducent Rusland, waarmee de Amerikanen rekening hebben te houden.

Blijft de vraag welke oliemaatschappijen straks na het optrekken van de rook aan tafel zullen zitten. Koenders van de PvdA vindt dat de VN een `dispute setlement' moet instellen om de herverkaveling van de olieconcessies te regelen, waarbij aan de belangen en rechten van alle betrokkenen wordt gekeken. Anderen denken echter dat het wel los zal lopen. Coby van der Linde wijst op het feit dat de rekening van de militaire kosten in de eerste Golfoorlog voor een groot deel door Saoedi-Arabië (en Japan en Duitsland) is opgebracht. Dit keer zullen de Saoedi's (en de Japanners en Duitsers) dat niet doen. Er is er maar één die wel voor de kosten gaat opdraaien: Irak zelf. En daarvoor is maar een bron: de olie. Om die inkomsten te genereren zal Irak zoveel internationaal kapitaal nodig hebben, dat de oliemaatschappijen wel moeten samenwerken. In Irak is straks plaats genoeg voor iedereen.