Naar joods gebruik

De joden in Rome waren al vroeg actief met naastenzorg, zo blijkt uit een nieuwe datering van de joodse catacomben die nu ouder blijken dan de christelijke. Naastenzorg was in de oudheid geen christelijk monopolie, aldus archeoloog en godsdienst historicus Leonard Rutgers.

Het christendom maakte in de eerste eeuwen van zijn bestaan een stormachtige groei door. In de vierde eeuw na de geboorte van Jezus Christus was het de dominante godsdienst van het Romeinse Rijk. De grote historische vraag is: waarom was deze verering van Jezus Christus als de zoon van God die verlossing biedt van de zonden zo populair? Ook andere godsdiensten, zoals de in het leger populaire verering van de oosterse god Mithras, boden verlossing en zuivering van aardse smetten.

Dr. Leonard Rutgers, verbonden aan de Universiteit Utrecht, bestudeert de enige archeologische bron waarin de vroeg-christelijke gemeenschap zich in zijn geheel presenteert aan moderne ogen: de onderaardse catacomben in Rome, waar zij hun doden begroeven. De wirwar van grafkamers en labyrinthische gangen met graven in de wand is ontstaan uit ruimtegebrek. Vanuit bestaande grafkelders werden de catacomben steeds verder uitgebreid, uiteindelijk vaak ook met gangenstelsels op verschillende niveaus. Soms groeiden verschillende stelsels aan elkaar vast. Na het verval van Rome in de vijfde eeuw raakte de catacomben in ongebruik, er was weer genoeg ruimte in de stad om `bovengronds' te begraven. ``De catacomben vormen echt een tijdcapsule. Als je er binnentreedt ben je in één keer terug in die tijd. Een heel bijzondere ervaring'', aldus Rutgers. Er zijn ook wel heidense onderaardse begraafplaatsen in Rome, maar die zijn veel kleiner dan de christelijke of de joodse.

De klassieke verklaring voor de populariteit van het christendom is dan ook gebaseerd op precies het bestaan van die catacomben, legt Rutgers uit. ``Want wie betaalde de aanleg van die gigantische begraafcomplexen, met honderden kilometers lange gangen? Er zijn in totaal zo'n zestig catacomben teruggevonden, met tienduizenden eenvoudige graven. Hier is duidelijk sprake van een gemeenschappelijke onderneming, een nog altijd zichtbare uitdrukking van naastenliefde. De kerk zorgde er voor dat ook de armetierige gelovigen netjes begraven werden. Je kunt aan de aanleg zien dat het systematisch en professioneel gebeurde, er zat een organisatie achter en dus een financieel systeem.'' Er zijn vier joodse catacomben bekend, maar daar is nooit veel onderzoek naar gedaan. Catacombe-onderzoekers zijn traditioneel gericht op de christelijke overblijfselen.

De christelijke catacomben gelden als een gestolde vorm van naastenliefde, die kennelijk door de christenen werd betracht – ongetwijfeld ook tijdens het leven. De naastenliefde is een van de klassieke verklaringen voor de tomeloze opkomst van het christendom als massareligie.

Maar klopt die verklaring? Rutgers is onlangs een door NWO gesteund onderzoeksproject begonnen, `The Rise of Christianity', om die vraag te beantwoorden, met behulp van nader catacombenonderzoek. En de eerste resultaten werpen al een ander licht op de uniciteit van de christelijke naastenzorg. ``Want er zijn dus ook joodse catacomben in Rome. Daarvan is altijd gedacht dat die hooguit gelijktijdig zijn ontstaan met de christelijke. Maar samen met Utrechtse natuurkundigen heb ik nu met behulp van C-datering vastgesteld dat de joodse ouder zijn dan de christelijke. En dat betekent dat zij al eerder deze vorm van naastenliefde betrachten, en dus ongetwijfeld ook andere vormen.

voorbeeld

De joodse gewoonte was dus waarschijnlijk het voorbeeld voor de christenen.'' Uit het C-onderzoek van Rutgers en zijn collega's, het eerste dat ooit in de catacomben is verricht, blijkt dat nu de joodse catacombe onder de Villa Torlonia teruggaat tot halverwege de eerste eeuw na Chr. Het onderzoek, in samenwering met fysici Arie de Jong en Klaas van der Borg, verschijnt binnenkort in Radiocarbon. De oudste christelijke catacomben gaan waarschijnlijk terug tot de derde eeuw maar C-dateringen ontbreken nog altijd. Het is sowieso onwaarschijnlijk dat ze zo oud zijn als de joodse: tot halverwege de eerste eeuw – om de simpele reden dat er toen nog niet genoeg christenen in Rome waren om grootschalige begraafplaatsen noodzakelijk te maken.

Opmerkelijk in dit verband is dat ook de joodse godsdienst vrij veel aantrekkingskracht uitoefende op heidenen, die zich dan meestal niet `volledige joden' noemden (al kon dat ook), maar zich als `halfbekeerlingen' bij de joodse gemeenschap aansloten: wèl het monotheïsme en de joodse moraliteit, maar niet de besnijdenis of de spijswetten. Pas in de derde eeuw nam dit fenomeen af, mede door de toenemende polarisatie met het christendom. Waarschijnlijk omdat op die manier ook veel christenen met de joden `mee deden', gingen de joods leiders scherpere eisen stellen aan de halfbekeerlingen, bijvoorbeeld dat de mannen zich binnen een jaar moesten laten besnijden - een vrij effectieve barrière.

Dat er tot nu toe nooit een goede datering is gemaakt van de catacomben, is typerend voor de toestand van het catacombenonderzoek, aldus Rutgers. ``Het opvallende is dat ze tot voor kort nooit met een historisch oog bestudeerd zijn. Het ging altijd om de theologie en om de wandschilderingen; hoe worden welke heiligen afgebeeld. Die traditie gaat terug tot de 16e eeuw, toen de catacomben werden herontdekt en onmiddellijk een wapen werden in de katholieke strijd tegen de protestanten. De katholieken beweerden namelijk dat de in de catacomben afgebeelde heiligen en pausen al door de eerste christenen werden vereerd. In mijn onderzoek gaat het nu juist niet om heiligen en pausen, maar om de drijfveren van de gewone man/gelovige om zich aan te sluiten bij het christendom.''

Een overzicht van de catacomben biedt Leonard Rutgers' `Onderaards Rome', Uitgeverij Peeters ISBN 90-429-0817-3 153 blz. €15,84