Naar boven, per trein de Alpengletsjers in

Anneriek de Jong steekt met de Bernina Express lekker langzaam de Italiaanse en Zwitserse alpen over.

Het schemert nog, maar de conducteur is klaarwakker. Twee passagiers heeft hij op deze winterochtend in zijn trein, twee passagiers en een paar pakketjes. Uit een diep in de sneeuw gezakt dorp komt een man gelopen, zijn voetsporen leiden van het enige huis met een rokende schoorsteen naar het wachtende station. De conducteur overhandigt hem een pakketje en de man stapt terug naar het huis, waar licht is aangegaan. Hier, veraf van de weg, in een kom van de ijskoude Piz Palü, leven mensen. Voorbij Cavaglia niet meer. De Bernina Express, de hoogste spoorwegtraverse door de Alpen, kronkelt volhardend naarboven. De pasroute verbindt de zoete wijngaarden van Noord-Italië met de koele skiwereld van het Graubündense Engadin, en als buffer fungeert het massief van de Bernina, met toppen van over de vierduizend meter.

We rijden langs broze ijspegels en langs de laatste sparren; rechtsachter vang je af en toe nog een glimp op van het groengele Valposchiavo en linksvoor komt de witblauwe Morteratsch-gletsjer de hoek om, een diagonale massa aan een almaar doorzichtiger hemel. De treno rosso van de Rhätische Bahn is inderdaad rood en zo langzaam dat je vanuit het geopende raampje de wind en de zon op de bevroren aarde kunt ruiken. Ineens toch weer levende wezens. Twee heren versperren de rails, ze hebben gelooide gezichten en zwarte snorren en zware schoppen waarmee ze de sneeuw voor de trein te lijf gaan. Overal langs de baan zie ik nu huisjes met gereedschap om het spoor berijdbaar te houden, voor de toeristen en voor de bewoners van het geïsoleerde Valposchiavo, die ook naar de rest van Zwitserland moeten kunnen.

Ik herinner me de woorden van een serveerstersdochter in Brusio, achter in dat dal, vijf kilometer van de Italiaanse grens. ,,Die trein is wel leuk voor jullie, hoor, maar wij vinden de rit stomvervelend. Vorig jaar moest ik naar school in onze provinciehoofdstad Chur, ik wil tandartsassistente worden. Vier uur deed ik erover met die verdomde Rhätische Bahn, vier uur heen en dan nog eens vier uur terug. Ik weet niet hoe dat moet als ik straks ga werken. In Italië voel ik me niet thuis en ze stellen er andere eisen. Zwitserland is in de winter haast onbereikbaar. Met de auto de Berninapas over kost heel veel moed, want aan onze kant is de weg niet zo goed onderhouden. Misschien wacht ik tot er hier in het dal een baantje bij de tandarts vrijkomt.''

Maar de heren met de zwarte snorren trekken zich niets van het gebrek aan treinreislust van de autochtone bevolking aan. Zij komen uit een ander geïsoleerd dorp, aan de andere kant van de grens, en zetten zich met heel hun lichaam voor het spoor door het hart van de Bernina in. Dat spoor ontstond in 1908. De Zwitserse staat wilde contact met het eigenwijze, pas vanaf 1803 tot Helvetia behorende volkje vlak achter de Alpen. En Sankt Moritz, de bakermat van het wintertoerisme, wilde gasten aantrekken uit metropolen als Como en Milaan. In 1910 was de geëlektrificeerde spoorweg klaar en nu stappen de Milanezen in de grensstad Tirano op het rode treintje, dat in de stille uren ook graan en olie over de bergen zeult. Het enorme hoogteverschil, van het 429 meter hoge Tirano naar het passtation Ospizio Bernina op 2.253 meter, wordt zonder tandrad overwonnen en bijna zonder tunnels. Vernuftige viaducten zijn er wel, en duizelingwekkende lussen.

Op Alp Grüm, 2.090 meter, stappen we uit om wat te lopen. En om nog één keer de Italiaanse kant op te kijken, over het glanzende Lago di Poschiavo heen naar de spitse tanden van de Adamello. Een gelaarsde sneeuwwandelaar vergezelt ons naar de trein van een uurtje later, die nu door een hoogvlakte rijdt. Terwijl het witte poeder langs de raampjes waait trekt een woestenij voorbij waarin seinpalen de enige markeringspunten vormen. De grens tussen gletsjer en bergen vervaagt en de trein stopt vaak en lang, omdat zelfs de voorop de locomotief bevestigde verstuiver de sneeuw niet één twee drie de baas wordt. Met de hooglandse maagdelijkheid is het gedaan bij station Bernina Diavolezza.

Snowboarders, voorzien van zonnebrillen, beschreven pakken en fluorescerende helmen, haasten zich naar de twee liften en over de steile pistes dollen zij naar beneden, om na een paar keer op en neer de schreeuwerige bussen te bestijgen die hen terug naar hun hotelcomplexen brengen. Want de weg is hier alweer zichtbaar, het landschap aangetast. Verderop trekken de langlaufers hun sporen, ook zij in felgekleurde roedels, en in Pontresina besluiten wij: we gaan niet door naar Sankt Moritz, we keren om, naar Cavaglia en het goddank nog steeds afgelegen Valposchiavo.

De goedkoopste manier om deze reis te maken: vlieg met een budget-airline naar Milaan of Genève en neem van daaruit de trein naar Tirano of Sankt Moritz/Pontresina. Een Swiss Pass (8 dagen, twee personen) kost 289 frank. Inl. Schweizerische Bundesbahn (www.sbb.ch) en bij de Rhätische Bahn, (www.rhb.ch).

Je logeert het prettigst in het Valposchiavo, bijvoorbeeld in de plaats waarnaar het dal is vernoemd. Voor een studio met knusse berghut-ambiance betaal je ongeveer 50 franken per nacht. www.valposchiavo.ch.

    • Anneriek de Jong