In Irak is het beter praten over zaken dan over oorlog

Nederlandse bedrijven verkopen in Irak hydraulische cilinders en medische apparatuur. En ze zien grote kansen in de woningbouw in de komende tien jaar. Maar: `Alle orders zijn in de wacht gezet.'

Mostapha Mohy el Dine pendelt al sinds 1974 geregeld tussen Nederland en het Midden-Oosten. Hij kent de regio als zijn broekzak. De 50-jarige Egyptenaar, getrouwd met een Nederlandse vrouw, is net teruggekomen van een reis door Jordanië, Syrië en Libanon. Daar zitten klanten van Hyva, de Nederlandse onderneming waar hij sinds vier jaar voor werkt.

Met wie hij ook spreekt in het Midden-Oosten, de mogelijke oorlog in Irak werpt een donkere schaduw over het dagelijks bestaan. Wat gaat er gebeuren? ,,Alle orders zijn in de wacht gezet. En niemand weet of daar binnenkort verandering in komt.'' En zo gaat het al maanden.

Als Mohy el Dine 's ochtends uit zijn Nederlandse bed stapt, zoekt hij eerst naar de afstandsbediening. De televisie gaat aan op CNN of op BBC World Service. Dan rijdt hij naar kantoor in Alphen aan den Rijn. Niet dat hij iets aan de tv-beelden heeft als hij belt met zijn klanten in Irak. ,,We praten heel oppervlakkig over de situatie. Praten over oorlog eindigt nogal eens in ruzie, is mijn ervaring.'' Het gesprek gaat al snel over de producten van Hyva, de hydraulische, uitschuifbare cilinders waarmee laadbakken van vrachtwagens zijn te kiepen. Intussen valt de omzet van het bedrijf in het Midden-Oosten met 30 tot 40 procent terug.

Recente officiële cijfers ontbreken. Maar de handel tussen Nederland en Irak – in omvang overigens een schijntje van de Iraakse handel met Duitsland en Frankrijk – is het afgelopen kwartaal op een minimum terecht gekomen. ,,Ik zie overal westerlingen van grote, buitenlandse bedrijven vertrekken'', zegt de zaakgelastigde T. Reintjes telefonisch vanuit de Nederlandse ambassade in Bagdad. ,,Dat zijn weliswaar werknemers van niet-Nederlandse ondernemingen zoals Siemens, maar toch. Nederlandse bedrijven hebben hier geen vestiging. En er lopen hier ook geen Nederlandse zakenmensen rond.''

Sinds de Golfoorlog in 1991 is de handel met Irak geen gemakkelijke zaak voor ondernemers. Bedrijven moeten zich houden aan resoluties van de Verenigde Naties, waaronder de regels voor het zogeheten `olie-voor-voedsel-programma'. Dat betekent dat Irak olie mag verkopen – het land heeft de op één grootste olievoorraad ter wereld – en met de opbrengst daarvan goederen kan aanschaffen uit het buitenland. Maar de procedure is tijdrovend. Het is een uitgebreid tik-tak spel waar Nederlandse ministeries, de Verenigde Naties in New York en bij de Iraakse grens gestationeerde VN-controleurs deel van uitmaken.

Nederland heeft de afgelopen jaren uitsluitend ruwe aardolie uit Irak geïmporteerd. In 1999 beleefde dat een hoogtepunt toen voor bijna 1 miljard euro werd ingevoerd. Shell bevestigt ,,één, twee tot drie keer'' Iraakse aardolie te hebben geïmporteerd.

De uitvoer van Nederland naar Irak valt in het niet bij de invoer. In het topjaar 1999 ging er voor niet meer dan 40 miljoen euro aan spullen naar Irak. Uit cijfers van het CBS blijkt dat het vooral ging om medische apparatuur en niet nader aangeduide `machines'. Philips zegt tot en met 1999 medische apparatuur te hebben geleverd, daarna hield het op. ,,De Iraakse overheid selecteerde ons blijkbaar niet meer'', stelt een woordvoerder.

Toch zijn er Nederlandse ondernemers die de Iraakse markt zien zitten. Vorig jaar november presenteerden vijf Nederlandse bedrijven zich op de Baghdad International fair onder leiding van zaakgelastigde Reintjes. Behalve Hyva waren dat het grote vleesbedrijf Dumeco en de bouwliftenfabrikant Hek uit het Brabantse Middelbeers. ,,De Irakezen willen in tien jaar zo'n 400 miljard dollar aan woningbouw uitgeven'', vertelt Jan Paul Mutsaerts van Hek. ,,Dat is een enorm budget. Maar ja, het geld zit daar in de grond.'' Mutsaerts wist op de beurs Iraakse ambtenaren van het ministerie van Huisvesting te interesseren voor de producten van Hek.

Of de Brabantse fabrikant, waar honderd mensen werken, nog van het grootscheepse plan weet te profiteren, is voor Mutsaerts de prangende vraag. ,,De contacten met het ministerie liggen stil.'' Maar frusterender vindt hij de al maanden durende oorlogsdreiging. Omringende landen van Irak zijn daardoor volgens Mutsaers ook onzeker en bestellen niets. ,,Je weet niet waar je aan toe bent als bedrijf.'' Voor Mutsaerts is het essentieel om te weten of het een `lokaal conflict' of een `regionaal conflict' wordt.

Of Hek uiteindelijk baat heeft bij een oorlog, vindt hij een inhumane vraag. Maar Irak, vindt hij, biedt hoe dan ook kansen, oorlog of niet. Mohy el Dine van Hyva is voorzichtiger. ,,Het hangt er van af of Nederland mee doet aan de oorlog. De landen die de aanvallen uitvoeren krijgen naderhand het meeste werk toebedeeld.''