Houtsnip

De etymologie van het woord `snip', zoals in de vogelnaam houtsnip, gaat terug naar het eind van de 13e eeuw. `Sneppa' en `snippe' betekenen `punt'. Een `sniep' in plaatsnamen duidt op de nabijheid van een stuk land dat in een punt uitloopt. De houtsnip is zo genoemd naar zijn lange, spitse snavel. Onlangs bereikte mij een waarneming uit Limburg, zelf kruiste de luidruchtige, in hoekige slagen vliegende houtsnip mijn pad tegen het vallen van de avond in de droogmakerij de Beemster.

Deze steltloper voelt zich op het droge thuis, liefst in bossen met open plekken of weilanden omzoomd met struikgewas. Hij heeft de schutkleur van dorre bladeren; de kop is met zwarte lijnen dwarsgestreept. Door de hoge plaatsing van zijn ogen, bovendien ver naar achteren geplaatst, heeft hij een zicht van bijna 360 graden. In de broedtijd houden de mannetjes onstuimige baltsvluchten. Bij gevaar draagt de houtsnip de jongen tussen zijn of haar poten weg. Deze vogel houdt van de nacht. Wordt hij opgeschrikt, dan klinkt zijn alarmroep `tsjèk, tsjèk'. Die van mij verdween met korte wiekslagen in de schemering.

freriks@nrc.nl