Geld is onzichtbare motor

Prestatieloon is inherent aan topsport. Maar leiden premies en bonussen tot betere prestaties?

Vraag een willekeurige topsporter of geld een drijfveer is en negen van de tien zullen met een stellig `nee' antwoorden. Een vies woord is geld niet meer, maar openlijk erkennen dat financieel gewin de voornaamste beweegreden is om lichaam en geest dagelijks aan een strak trainingsregime te onderwerpen? Vergeet het maar. Sporten doe je voor de eer en vanuit je hart of ,,omdat ik het gewoon leuk vind'' dát is de boodschap die een grote meerderheid van de topsporters, en zeker de Nederlandse, met verve uitdraagt.

Maar is dat zo? Waarom spelen zoveel talentvolle voetballers bijvoorbeeld niet in de ere- of eerste divisie van het betaalde voetbal, maar verkiezen zij een goedbetaalde `baan' bij de sectie die haar naam allang geen eer meer aandoet: de hoofdklasse amateurs? Waarom gaan aan de toernooideelname van een goedgeklasseerde tennis- of golfprofessional niet zelden ellenlange onderhandelingen vooraf over de hoogte van het startgeld? Waarom zweert de moderne topsport überhaupt bij prestatieloon in de vorm van winstpremies en -bonussen?

Startgelden zijn een verkapte vorm van prestatiebeloning, waarbij sporters vooruitbetaald worden op basis van hun opgebouwde staat van dienst in ruil voor hun deelname. Toernooidirecteuren moeten wel bij sporten als atletiek, judo, tennis en zwemmen. Geen toppers betekent geen evenement, want geen tv-aandacht en dus geen sponsors. En in de regel ook geen, of in elk geval weinig, publiek.

Hockey gold tot voor kort als een van de laatste bastions van zuiver amateurisme. Elk dubbeltje verdween in de bierpot. Die tijd is voorbij. Betalingen in de vorm van een basisvergoeding (bij de topteams jaarlijks gemiddeld circa 7.500 euro per speler), aangevuld met premies en bonussen voor het bereiken van de play-offs (maximaal 2.500 euro), zijn sinds zes jaar eerder regel dan uitzondering. Sinds het succesvolle dubbel-WK van 1998 in eigen land (Utrecht) keert ook de hockeybond, zij het schoorvoetend, premies uit aan internationals.

Aan de conclusie valt niet te ontkomen: geld speelt wel degelijk een rol. Dat weet ook Yves Kummer, voorzitter van de vorig jaar opgerichte vakbond voor topsporters, NL Sporter. Maar, en dat kan de oud-rugbyer niet genoeg benadrukken, financieel gewin is over het algemeen niet doorslaggevend. ,,Verreweg de meeste sporters bedrijven hun sport nog altijd for the love of the game. Geld is niet meer dan een prettige bijkomstigheid, waardoor sporters zich beter kunnen voorbereiden op een wedstrijd of een toernooi, en waardoor ze vaak ook gerichter te werk gaan.''

Met andere woorden: geld is onontbeerlijk, zeker voor de ambitieuze topsporter die hoge doelen nastreeft en zijn veeleisende discipline niet kan (of wil) combineren met een betaalde baan. Die heeft naar eigen zeggen geen keuze, en moet in zijn jacht op prijzen en medailles dus wel worden `vrijgekocht' door een of meerdere sponsors, die tezamen met sportkoepel NOC*NSF garant staan voor wat als zijn basisloon kan worden aangemerkt. Bovenop dat bedrag voor het gros van de Nederlandse topsporters niet meer dan een modaalinkomen komt het prijzengeld waarvan de hoogte door de markt wordt bepaald en daardoor sterk verschilt: van 200 euro (Nederlands record kortebaanzwemmen) tot 2.873.000 dollar (winnaar mannenenkelspel Wimbledon 2002).

Meer geld betekent betere trainingsmogelijkheden en als het goed is betere prestaties en dus meer inkomsten. Te bewijzen valt het niet, maar het is die vicieuze cirkel waarin de moderne topsporter `gevangen' zit en die als de onzichtbare motor van de hedendaagse topsport kan worden beschouwd. En die topsportcarrières verlengt, weet Kummer. ,,Als geld al een drijfveer is, dan geldt dat vooral voor de sporters op leeftijd. Dat zie je de laatste jaren steeds vaker: sporters die zo gewend zijn aan een bepaald inkomen dat ze de terugkeer naar de `gewone maatschappij' nog een paar jaartjes uitstellen.''

Blijft de vraag of een sporter harder loopt, fietst, roeit of zwemt zodra er geldprijzen op het spel staan. Die vraag is volgens zwemtrainer Jacco Verhaeren, coach van onder anderen tweevoudig olympisch kampioen Pieter van den Hoogenband, met een kort maar krachtig `nee' te beantwoorden. Stellig: ,,Pieter zwemt niet harder omdat er bij een bepaalde wedstrijd een x-bedrag op de eerste, tweede en derde plaats staat. Pieter zwemt hard omdat hij wil winnen, daar is hij topsporter voor. Al is het natuurlijk wel zo dat hij en al die andere topzwemmers uitgerekend bij die wedstrijd in actie komen omdat daar wat te verdienen is.'' Bovendien: zwemmen temidden van de wereldtop werkt inspirerender dan een nationaal wedstrijdje in pakweg Emmen, waar Van den Hoogenband zich niet of nauwelijks hoeft in te spannen om de overwinning veilig te stellen.

Premies zijn in de ogen van diens coach vooral ,,aanmoedigingsprijzen, die bevestigen dat je goed bezig bent''. Verhaeren wil de invloed van geld niet bagatelliseren, maar het belang ook vooral niet overschatten. ,,Pieter kan sinds `Sydney' (Olympische Spelen 2000, red.) goed leven van zijn sport en ook ik verdien tegenwoordig meer dan toen ik dertien jaar geleden voor het eerst aan de badrand stond. Maar ik doe niets meer of minder dan destijds, hoewel ik nu iets meer middelen tot mijn beschikking heb. Hetzelfde geldt voor de overige drie zwemmers uit mijn ploeg. Die hebben niet meer dan een minimumloontje, maar doen qua inzet en beleving niet onder voor Pieter en dat is ze geraden ook.''

Een vermeend gebrek aan inzet en beleving was voor Dirk Scheringa, de steenrijke zakenman en sportfanaat uit Noord-Holland, een halfjaar geleden aanleiding om de contracten van de schaatsers uit zijn DSB-ploeg kritisch tegen het licht te houden en het prestatieloon te herintroduceren. Niet de beloning, maar de liefde voor de sport moet weer voorop staan, betoogde Scheringa bij de presentatie van zijn nieuwe langebaan- en marathonploeg. ,,De arbeidsmarkt in het schaatsen is de afgelopen jaren overspannen geweest. Er zijn door sommigen miljoenen guldens verdiend, de schaatsers zijn verwend geraakt.''

Het evenwicht tussen salarissen en prestaties is volgens Scheringa onder invloed overigens van de mede door hem gestimuleerde commercie langzaam maar zeker zoekgeraakt. Niet voor niets deed de voorzitter van voetbalclub AZ twee jaar terug al zijn beklag over de arbeidsmoraal van `zijn' door en door verwende voetballers: ,,Ze hebben niet de moed gewoon te knokken voor hun geld.'' En: ,,Ze kunnen beter een dag met z'n allen achter de vuilnisauto lopen om te kijken hoe zwaar dat werk is.''

Kummer van NL Sporter heeft begrip voor de prestatieloonregeling van Scheringa, maar waarschuwt voor scheve verhoudingen. ,,Als het inkomen van een sporter grotendeels afhankelijk wordt van zijn prestaties, dan wordt het a struggle for life, met onzekerheid als basis voor prestaties. Dat werkt niet en leidt tot wantoestanden, zeker in een teamsport waarbij het dan ieder voor zich wordt.''

    • Mark Hoogstad