Foute organisaties

`Fraude blijkt dieper geworteld in de samenleving dan een aantal jaren geleden werd vermoed', noteerde de vorige minister van Justitie, Korthals, vlak voor het einde van het paarse kabinet. Dat was nog zacht uitgedrukt. Nederland begint af en toe warempel op Italië te lijken. Nu weer de onderwijsfraude, de spookstudenten van het hbo. En dat terwijl we nog bezig zijn de boodschap te verteren dat artsen en patiënten wellicht op grote schaal de ziektekostenverzekeringen hebben getild.

Heeft ons land zo langzamerhand niet een fraude-instituut nodig? De suggestie is afkomstig van de voormalige secretaris-generaal van Economische Zaken, Sweder van Wijnbergen. Het is inderdaad geen overbodige luxe een daad te stellen, maar de vraag is wel wat de meerwaarde van zo'n speciaal instituut is naast met name de Algemene Rekenkamer en justitie. Voor een goed begrip moet niet alle fraude op één hoop worden geveegd. Er is verschil tussen geknoei van individuen (of van een kongsi) uit zelfverrijking en het overtreden van wetten en regels waarvan niemand direct persoonlijk beter wordt maar die ten goede komt aan op zichzelf volstrekt behoorlijke instellingen of bedrijven waaraan de betrokkenen verbonden zijn. Voor dat laatste hebben de criminologen een speciale term: `organisatiecriminaliteit' (ter onderscheid van criminele organisaties). De hbo-fraude lijkt een goed voorbeeld.

In beide gevallen komt er al gauw valsheid in geschrifte of oplichting aan het geknoei te pas en dat kan natuurlijk nooit worden getolereerd. Maar dat is veelal slechts het topje van een ijsberg. Of beter gezegd: een paddestoel. Het beeld is afkomstig van de Tilburgse criminoloog Van Duyne: wat men ziet, is de hoed en de steel, al dan niet voorzien van een wit boord. Maar waar gaat het bij de paddestoel om? Om het mycelium van schimmeldraden dat zich onzichtbaar in rottend en ziek hout heeft vertakt. De paddestoel als verschijningsvorm trekt de aandacht, het mycelium blijft gewoonlijk verborgen en daarmee vaak ook het aangetaste hout.

Fraude en corruptie staan met andere woorden zelden op zichzelf en zijn veeleer een symptoom van ziekte in organisaties. Het is niet eenvoudig tot het mycelium door te stoten. De betrokken organisaties hebben een natuurlijke neiging zichzelf af te schermen. Maar ook het politieke draagvlak is een probleem, ondanks de steeds heftiger geuite verontwaardiging in Den Haag als weer een kwestie aan het licht komt. De onderwijsfraude is een goed voorbeeld. Een parlementaire enquête wordt niet uitgesloten. De vraag is wat er overblijft als de onderzoekers, of ze nu van het parlement zijn of van de Rekenkamer en justitie, weer door de volgende klus in beslag worden genomen.

Beslissend voor het herstellen van een organisatie of sector die in de fout is gegaan, is de bereidheid van de ambtelijke top en politiek verantwoordelijke bewindslieden sanering daadwerkelijk ter hand te nemen. Dat maakt het instellen van een speciaal instituut riskant, want dat vormt meteen een excuus lastige keuzes te parkeren. Het gaat er juist om, de hand in eigen boezem te steken.

Wat dit betreft verdient in het geval van de onderwijsfraude, na de bouwfraude, de rol van zogeheten `klokkenluiders' speciale aandacht. Daar is in de paarse regeerperiode een speciale regeling voor gekomen. Minister De Vries (Binnenlandse Zaken) noemde de wettelijke bescherming van klokkenluiders een ,,vanzelfsprekend uitgangspunt'' – te vergelijken met leden van een Ondernemingsraad. Het nettoresultaat is dat de ambtenaar die uit de school klapt primair met mensen uit eigen kring moet praten. Staatsrechtelijk ligt het niet eenvoudig, maar het gaat te ver om te zeggen dat er nu ,,volop ruimte aan degeen die meedenkt over wat hij ziet'' bestaat, zoals De Vries' voorganger Peper voor ogen stond. ,,Inkapseling van de klokkenluider'' is eerder de diagnose. En dat geeft te denken over de politieke wil.

Organisatiecriminaliteit is een vorm van `gelegenheidscriminaliteit' die veel te maken heeft met de kwaliteit van de regels. Een veelheid van regels – onderwijs is een berucht voorbeeld – gekoppeld aan de Nederlandse compromiscultuur, vormt een uitnodiging de regels op te rekken. En dan is het vaak maar een kleine stap naar fraude. De rechtsverfijning is inherent aan de polderdemocratie, zozeer zelfs dat het bij overtreding vaak moeilijk is te spreken van regelrechte corruptie. Het is eerder een kwestie van collusie, een geheime verstandhouding.

Daaraan kan alleen een eind worden gemaakt door knopen door te hakken – hoe onaangenaam dat ook kan zijn. En knopen doorhakken is bij uitstek het domein van het politiek gezag, niet van een instituut.